ECLI:NL:RVS:2026:3710
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening opheffing bewaring in vreemdelingenzaak
Verzoeker is bij besluit van 20 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. Verzoeker stelde beroep in tegen deze maatregel bij de rechtbank Den Haag, die op 7 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker ging in hoger beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er een belangrijke rechtsvraag speelt die nader onderzoek vereist. Voorlopig is niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal standhouden. Gelet op artikel 5 EVRM Pro weegt het belang van verzoeker bij opheffing van de bewaring zwaarder dan het belang van de minister bij voortzetting.
Daarom werd de maatregel van bewaring met ingang van 25 juni 2026 opgeheven. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
Uitkomst: De bewaring van verzoeker wordt met onmiddellijke ingang opgeheven in afwachting van het hoger beroep.