ECLI:NL:RVS:2026:3710

Raad van State

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.003080
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening opheffing bewaring in vreemdelingenzaak

Verzoeker is bij besluit van 20 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. Verzoeker stelde beroep in tegen deze maatregel bij de rechtbank Den Haag, die op 7 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker ging in hoger beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er een belangrijke rechtsvraag speelt die nader onderzoek vereist. Voorlopig is niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal standhouden. Gelet op artikel 5 EVRM Pro weegt het belang van verzoeker bij opheffing van de bewaring zwaarder dan het belang van de minister bij voortzetting.

Daarom werd de maatregel van bewaring met ingang van 25 juni 2026 opgeheven. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Uitkomst: De bewaring van verzoeker wordt met onmiddellijke ingang opgeheven in afwachting van het hoger beroep.

Uitspraak

BRS.26.003080
Datum uitspraak: 25 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 april 2026 in zaak nr. NL26.15858 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2026 heeft de minister verzoeker in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 7 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Verzoeker heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.        De tweede grief gaat over een rechtsvraag waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is daarbij niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand zal blijven.
2.        In het licht van artikel 5 van Pro het EVRM komt aan het belang van verzoeker bij de opheffing van de maatregel meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026
872