ECLI:NL:RVS:2026:3712
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na motiveringsgebrek
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 31 oktober 2023 de aanvraag van betrokkene voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 februari 2024 het besluit vernietigde wegens een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State, die op 25 juni 2026 oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is. De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat het motiveringsgebrek eenvoudig te herstellen is, waardoor geen aanleiding bestaat tot vernietiging van het vonnis.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene verviel daarmee. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.