ECLI:NL:RVS:2026:3713
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening inzake niet in behandeling nemen verblijfsvergunning en vertrek uit EU
Betrokkene had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen. De minister bepaalde tevens dat betrokkene binnen vier weken de Europese Unie moest verlaten. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit van de minister en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar moest nemen. Tevens werd de minister opgedragen zich te onthouden van verwijderingsmaatregelen tot vier weken na het nieuwe besluit.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om niet eerst een nieuw besluit op bezwaar te hoeven nemen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en verleende de gevraagde voorlopige voorziening. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen voordat het hoger beroep is beslist.