ECLI:NL:RVS:2026:3716
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat zij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag is beslist, en om opvang en verstrekkingen te ontvangen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. De minister heeft de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming vastgesteld op grond van de Dublinverordening. De overdrachtstermijn aan Kroatië verloopt op 2 juli 2026.
De overdracht heeft geen onomkeerbare gevolgen, omdat bij een latere vaststelling van Nederlandse verantwoordelijkheid appellant vanuit Kroatië kan worden teruggeleid. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en appellant wordt niet beschermd tegen uitzetting.