ECLI:NL:RVS:2026:3742

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001625
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:20, derde lid AwbArt. 6:20, vierde lid Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig nemen van het besluit, legde een dwangsom op en veroordeelde de minister tot een proceskostenvergoeding van € 233,50.

Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) had toegepast in plaats van 0,5 (licht). Daarom vernietigde de Afdeling het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 934,00.

Daarnaast werd het besluit van 8 april 2026, waarin de minister de aanvraag afwees, geacht onderwerp van het geding te zijn en verwees de Afdeling het beroep tegen dit besluit naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die gespecialiseerd is in asielzaken. Hierdoor blijft de mogelijkheid tot hoger beroep open.

De Afdeling benadrukte dat het hoger beroep uitsluitend over de proceskostenvergoeding ging en dat er geen vragen waren over Unierechtelijke bepalingen. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de proceskostenvergoeding van de rechtbank en verwijst het beroep tegen het afwijzingsbesluit naar de rechtbank.

Uitspraak

BRS.26.001625
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[de betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 maart 2026 in zaak nr. NL25.53239 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 27 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, een dwangsom opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M. Veld, advocaat in Koekange, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 8 april 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenvergoeding bij een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3409, onder 2. Hieruit volgt dat appellant terecht betoogt dat de rechtbank wegingsfactor 0,5 (licht) en niet 0,25 (zeer licht) had moeten toepassen.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij onder toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50. De Afdeling zal de minister alsnog tot een vergoeding van de proceskosten in beroep veroordelen met toepassing van wegingsfactor 0,5. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep eveneens als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Het hogerberoepschrift roept ten slotte geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3.        Het besluit van 8 april 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
4.        De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 8 april 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat daartegen hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 maart 2026 in zaak nr. NL25.53239, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50;
III.        verwijst het beroep tegen het besluit van 8 april 2026, V-294.140.1453, naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 (€ 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
1028