ECLI:NL:RVS:2026:3742
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig nemen van het besluit, legde een dwangsom op en veroordeelde de minister tot een proceskostenvergoeding van € 233,50.
Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) had toegepast in plaats van 0,5 (licht). Daarom vernietigde de Afdeling het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 934,00.
Daarnaast werd het besluit van 8 april 2026, waarin de minister de aanvraag afwees, geacht onderwerp van het geding te zijn en verwees de Afdeling het beroep tegen dit besluit naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die gespecialiseerd is in asielzaken. Hierdoor blijft de mogelijkheid tot hoger beroep open.
De Afdeling benadrukte dat het hoger beroep uitsluitend over de proceskostenvergoeding ging en dat er geen vragen waren over Unierechtelijke bepalingen. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de proceskostenvergoeding van de rechtbank en verwijst het beroep tegen het afwijzingsbesluit naar de rechtbank.