ECLI:NL:RVS:2026:3744
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit asielaanvraag
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit en legde een dwangsom en proceskosten van € 233,50 op aan de minister.
Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 toepaste in plaats van 0,5, waardoor de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld. De Afdeling vernietigde dit deel van het vonnis en veroordeelde de minister tot een hogere proceskostenvergoeding van in totaal € 934,00.
Daarnaast werd het besluit van 29 mei 2026, waarin de minister de aanvraag afwees, geacht onderwerp van het geding te zijn. De Afdeling verwees het beroep tegen dit besluit naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, omdat deze rechtbank gespecialiseerd is in asielzaken en eerste aanleg behandelt. Tegen die uitspraak staat hoger beroep open.
De Afdeling benadrukte dat het hoger beroep uitsluitend gericht was op de proceskostenvergoeding en dat de zaak van eenvoudige aard was, waardoor de wegingsfactor 0,5 passend werd geacht. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 1 juli 2026.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de proceskostenvergoeding van de rechtbank en verwijst het beroep tegen het afwijzingsbesluit naar de rechtbank Den Haag.