ECLI:NL:RVS:2026:3756
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenvergoeding in terugkeerbesluit tijdelijke bescherming
Appellant werd bij besluit van 21 februari 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen de Europese Unie te verlaten, omdat zijn tijdelijke beschermingsrecht eindigde. Dit terugkeerbesluit werd op 28 juli 2025 ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de minister niet veroordeelde tot vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de intrekking van het eerste terugkeerbesluit door de minister erkent dat dit besluit te vroeg was genomen, wat een punt voor het instellen van beroep rechtvaardigt.
Hoewel de rechtbank het beroep inhoudelijk ongegrond verklaarde, was de intrekking voldoende reden om de minister te veroordelen tot proceskostenvergoeding. De Afdeling vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de proceskostenvergoeding betrof en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, met een lichte wegingsfactor vanwege de eenvoudige aard van het hoger beroep.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover deze de minister niet tot proceskostenvergoeding veroordeelde en wijst vergoeding toe aan appellant.