ECLI:NL:RVS:2026:3758
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenvergoeding terugkeerbesluit tijdelijke bescherming
Appellant werd bij besluit van 7 februari 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten, omdat haar recht op tijdelijke bescherming eindigde. Dit terugkeerbesluit werd op 15 juli 2025 ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de minister niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de intrekking van het eerste terugkeerbesluit door de minister erkent dat dit besluit onjuist was, wat een punt voor het instellen van beroep rechtvaardigt.
Hoewel de rechtbank het beroep inhoudelijk ongegrond verklaarde, was de zitting enkel nodig voor de inhoudelijke behandeling van de gronden tegen de besluiten. De Afdeling vernietigt daarom het deel van het vonnis waarin de minister niet werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten voor zowel het beroep als het hoger beroep, met een lichte wegingsfactor voor het hoger beroep.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de proceskostenveroordeling betreft en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten aan appellant.