ECLI:NL:RVS:2026:3760
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
Bij besluit van 15 maart 2024 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De minister verklaarde het daaropvolgende bezwaar op 9 april 2025 ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing bij uitspraak van 7 mei 2026. Vervolgens stelde de appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hogerberoepschrift niet voldeed aan de wettelijke vereisten van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat de appellant niet had toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van lid H.G. Sevenster op 1 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.