ECLI:NL:RVS:2026:3760

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002748
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf

Bij besluit van 15 maart 2024 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De minister verklaarde het daaropvolgende bezwaar op 9 april 2025 ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing bij uitspraak van 7 mei 2026. Vervolgens stelde de appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat het hogerberoepschrift niet voldeed aan de wettelijke vereisten van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat de appellant niet had toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.

Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van lid H.G. Sevenster op 1 juli 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.

Uitspraak

BRS.26.002748
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[referent],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 mei 2026 in zaak nr. NL25.20993 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (betrokkenen)
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 april 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door berokkenen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft referent hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Wat u in het hogerberoepschrift hebt aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat hebt u niet gedaan. In hoger beroep legt u niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over uw hoger beroep.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
392