ECLI:NL:RVS:2026:3769

Raad van State

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.003002
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 maart 2024 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor betrokkenen afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de minister het bezwaar ongegrond op 28 januari 2025. Betrokkenen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 mei 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat de beoordeling van de grieven nader onderzoek vereist en dat de procedure voor een voorlopige voorziening niet geschikt is.

Gezien de belangen van beide partijen zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek werd daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen tegen de uitspraak van de rechtbank wordt afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.003002
Datum uitspraak: 30 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 mei 2026 in zaak nr. 25/4359 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de minister de aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 28 januari 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Gelet hierop en de belangen die de minister en de betrokkenen naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
3.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026
47-1204