ECLI:NL:RVS:2026:3771

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.003051
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure

Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 28 augustus 2025 is afgewezen met een terugkeerbesluit. De rechtbank Den Haag heeft op 31 maart 2026 het terugkeerbesluit vernietigd en de minister opgedragen de beoordeling te delen met de Griekse autoriteiten.

Tegen deze uitspraak hebben zowel de minister als verzoeker hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd om niet uitgezet te worden en opvang en verstrekkingen te ontvangen zolang het hoger beroep loopt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat nader onderzoek nodig is voor de grieven en dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen. Daarom wordt de voorlopige voorziening getroffen dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.003051
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2026 in zaak nr. NL25.46404 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten (terugkeerbesluit).
Bij uitspraak van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dit het terugkeerbesluit betreft, dat terugkeerbesluit vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en de minister opgedragen om de uitkomst van zijn beoordeling te delen met de Griekse autoriteiten en te beoordelen wat
de reactie hierop betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
1170-897