ECLI:NL:RVS:2026:3774

Raad van State

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
202501143/3/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.M. Kaajan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 AwbArt. 5:39 AwbArt. 8:81 AwbArt. 3.155 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 11 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen invordering dwangsom door gemeente Haarlemmermeer

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer legde op 30 augustus 2024 zes lasten onder dwangsom op aan verzoekster om overtredingen te beëindigen. Na bezwaar en beroep werden enkele lasten herroepen of vernietigd, maar de dwangsommen voor twee specifieke overtredingen bleven gehandhaafd.

Op 25 maart 2026 nam het college een nieuw invorderingsbesluit tot invordering van € 1.000,- wegens een nieuwe overtreding van een last. Verzoekster vroeg een voorlopige voorziening om dit besluit te schorsen, stellende dat het besluit prematuur was, het bedrag niet kenbaar was gemaakt en dat geen evenredige belangenafweging had plaatsgevonden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de invordering niet afhankelijk is van de onherroepelijkheid van het oorspronkelijke besluit, dat het bedrag correct was vermeld en dat het college geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die schorsing rechtvaardigen. De financiële draagkracht van verzoekster was onvoldoende onderbouwd om invordering te weigeren.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd bepaald dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het invorderingsbesluit van 25 maart 2026 is afgewezen.

Uitspraak

202501143/3/R4.
Datum uitspraak: 30 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd in Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord­Holland (de rechtbank) van 22 januari 2025 in zaak nr. 24/7673 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2026 heeft het college besloten tot invordering van een volgens het college door [verzoekster] verbeurde dwangsom van € 1.000,00. Gelet op artikel 5:39 van Pro de Awb heeft het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2025 ook betrekking op dit invorderingsbesluit.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting van 18 juni 2026 aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [verzoekster] is volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevestigd op het bedrijfsperceel aan de [locatie] in Vijfhuizen en handelt in auto’s, auto-onderdelen en metaal. Bij besluit van 30 augustus 2024 heeft het college [verzoekster] zes lasten onder dwangsom opgelegd om verweten overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden. Het college heeft [verzoekster] daarbij, onder meer, gelast om binnen vier weken na de bekendmaking van dat besluit:
- de overtreding van artikel 3.155, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te beëindigen en beëindigd te houden door een tekening met de nieuwe begrenzing van het bedrijf van [verzoekster] aan het college door te geven, met een dwangsom van € 500,00 per week, tot een maximum van € 2.500,00 (last 3).
- de overtreding van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur te beëindigen en beëindigd te houden door de nog aanwezige afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voortaan weersbestendig op te slaan, met een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, tot een maximum van € 5.000,00 (last 6).
2.       Bij besluit van 18 november 2024 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 30 augustus 2024 herroepen voor twee van de zes lasten onder dwangsom. Deze herroeping heeft geen betrekking op de eerdergenoemde lasten.
Bij uitspraak van 22 januari 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 november 2024 vernietigd voor twee van de vier overgebleven lasten onder dwangsom, het besluit van 30 augustus 2024 herroepen voor één last en het college opgedragen om op het punt van de andere last een nieuw besluit op het door [verzoekster] gemaakte bezwaar te nemen. Deze vernietiging en herroepping hebben evenmin betrekking op de eerdergenoemde lasten. Tegen deze rechtbankuitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Hangende dit hoger beroep heeft het college een eerder invorderingsbesluit van 23 juli 2025 genomen.
3.       Bij besluit van 25 maart 2026 heeft het college opnieuw een invorderingsbesluit genomen. [verzoekster] heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de werking van dit besluit te schorsen.
Beoordeling
4.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5.       [verzoekster] betoogt dat de invordering prematuur is, omdat het besluit van 30 augustus 2024, waarbij de last is opgelegd, nog niet onherroepelijk is geworden.
5.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn om aan de last te voldoen, is geëindigd twee weken na de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2025. Dit brengt met zich dat [verzoekster] na 5 februari 2025 dwangsommen kon verbeuren. Voor de vraag of het college bevoegd is om over te gaan tot invordering, is niet bepalend of het besluit van 30 augustus 2024 in rechte onaantastbaar is geworden. In zoverre ziet de voorzieningenrechter dan ook geen grond om een voorziening te treffen.
6.       [verzoekster] betoogt verder dat het college tot invordering van een bedrag van de dwangsom overgaat dat niet in het oorspronkelijke invorderingsbesluit staat opgenomen en niet kenbaar is gemaakt in het voornemen tot invordering. Hierdoor treedt het college buiten het primaire besluit en vordert aanvullende invorderingen zonder nieuwe besluitvorming, zo betoogt [verzoekster].
6.1.    In het eerdere invorderingsbesluit van 23 juli 2025 is een bedrag van € 2.000,- ingevorderd voor het tweemaal niet naleven van last 6. Na dit invorderingsbesluit kon [verzoekster] nog drie maal een bedrag van € 1.000,- verbeuren als zij niet aan de last zou voldoen. Aan het besluit van 25 maart 2026 is ten grondslag gelegd dat opnieuw, eenmalig, last 6 is overtreden en is dan ook een bedrag van € 1.000,- ingevorderd.
De voorzieningenrechter kan gelet hierop de redenering van [verzoekster] dat sprake is van een invordering van een niet eerdergenoemd bedrag niet volgen. Ook is, anders dan [verzoekster] aanvoert, in het voornemen tot invordering te kennen gegeven dat ten derde male een dwangsom van € 1.000,- is verbeurd.
Het voorgaande betekent overigens dat na het besluit van 25 maart 2026 nog door [verzoekster]  € 2.000,- aan dwangsommen kan worden verbeurd.
7.       [verzoekster] betoogt dat voor de invordering van een dwangsom een evenredigheidstoets dient plaats te vinden. Volgens [verzoekster] heeft het college geen evenwichtige belangenafweging gemaakt in het besluit van 25 maart 2026.
7.1.    Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor informatie verstrekken waaruit blijkt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.
In het door [verzoekster] aangevoerde ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan niet tot invordering zou kunnen worden overgegaan. De enkele niet nader gemotiveerde stelling van [verzoekster] dat de gevolgen aanzienlijk zijn, is daartoe onvoldoende. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat [verzoekster] gezien haar financiële draagkracht niet in staat zal zijn om de verbeurde dwangsom te betalen.
7.2.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en het besluit tot invordering van 25 maart 2026 te schorsen.
8.       [verzoekster] verzoekt tenslotte om eventuele aanvullende invorderingen onder de schorsing te laten vallen en te oordelen dat er geen invorderingsmaatregelen worden getroffen totdat op het bezwaar is beslist, dan wel uitspraak is gedaan in hoger beroep.
8.1.    Voor zover [verzoekster] hiermee heeft beoogd een verzoek in te dienen tot schorsing van de last onder dwangsom, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Daarbij is van belang dat last 3 is uitgewerkt omdat het maximumbedrag van € 2.500,- al is ingevorderd. Daarnaast heeft [verzoekster] geen omstandigheden aangevoerd over last 6 op grond waarvan tot schorsing van deze last zou moeten worden overgegaan.
Slot en conclusie
9.       Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.
10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af;
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Kaajan
voorzieningenrechter
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026
700