ECLI:NL:RVS:2026:3791

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202306789/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbECLI:EU:C:1982:335ECLI:EU:C:2021:799ECLI:EU:C:2026:243
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 7 december 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 6 oktober 2023. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten, ook niet voor vreemdelingen die hun overtuigingen terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. Het betoog van appellant over het risico dat hij loopt door zijn afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 7 december 2022. De minister moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden. Verder is het niet nodig om andere door appellant aangevoerde punten te bespreken. Prejudiciële vragen worden niet gesteld. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met het risico op vervolging wegens afvalligheid.

Uitspraak

202306789/1/V2.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 oktober 2023 in zaak nr. NL23.139 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 6 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. Het betoog van appellant over het risico dat hij loopt door zijn afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 7 december 2022. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het verlangen van terughoudendheid niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 oktober 2023 in zaak nr. NL23.139;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 7 december 2022, V-[...];
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
915-1163