ECLI:NL:RVS:2026:3793
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen afwijzing verlenging gecombineerde vergunning verblijf en arbeid
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Deze aanvraag is bij besluit van 14 juli 2025 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 2 februari 2026 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verzoeker verzocht tevens om een voorlopige voorziening, zodat hij behandeld zou worden alsof zijn vergunning was verlengd en hij niet zou worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen en bepaald dat verzoeker voorlopig wordt behandeld alsof zijn vergunning is verlengd en dat hij niet wordt uitgezet. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Deze voorlopige voorziening geldt totdat op het hoger beroep is beslist.
Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig behandeld alsof zijn vergunning is verlengd en wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist.