ECLI:NL:RVS:2026:3808

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202600165/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 10 Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025Art. 10 Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025Art. 2 Beleidsregels toepassing spoedeisende bestuursdwang bij verkeerd aangeboden afval Groningen 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen spoedeisende bestuursdwang voor verkeerd aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Groningen heeft op 24 december 2025 schriftelijk bevestigd dat op 22 december 2025 spoedeisende bestuursdwang is toegepast wegens het verkeerd aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen naast een ondergrondse container. De afvalzak met papierafval bevatte een brievenbuspakketje met de naam en adresgegevens van appellante, waardoor het college aannam dat zij de overtreder was. Appellante betoogde dat haar gemachtigde de afvalzak wilde weggooien en dat de zak mogelijk door een derde uit de gemeenschappelijke hal is geplaatst.

Het college handhaafde het besluit en stelde dat het bewijsvermoeden niet was weerlegd omdat appellante onvoldoende concreet en objectief had onderbouwd dat een derde de afvalzak had verplaatst. De Raad van State oordeelde dat het college terecht aannam dat de afvalzak in de machtssfeer van appellante bleef, ook al was zij niet zelf degene die de zak buiten plaatste. Het risico dat een derde de zak verplaatste, behoort tot haar verantwoordelijkheid als bewoner.

Verder vond de Afdeling dat het college niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de verplaatsing door derden, omdat appellante dit niet met concrete gegevens had onderbouwd. De hoogte van de kosten van € 212,10 werd als redelijk beoordeeld op basis van de beleidsregels. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van afval wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202600165/1/R4.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:
[appellante], wonend in Groningen,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 22 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 en artikel 10, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 15 januari 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een plastic tasje met daarin papierafval, dat op 22 september 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de Bankastraat in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] het plastic tasje met papierafval verkeerd heeft aangeboden, omdat in het tasje een brievenbuspakketje is gevonden met daarop haar naam- en adresgegevens.
2.       [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Daartoe voert haar gemachtigde aan dat hij degene is geweest die de afvalzak wilde weggooien. Volgens hem was de ondergrondse afvalcontainer op dat moment buiten gebruik. Ook waren er in december 2025 stroomstoringen in Groningen. Omdat hij de afvalzak niet op straat wilde laten staan, heeft hij deze weer mee naar binnen genomen en tijdelijk in de inpandige hal van het wooncomplex neergezet. Volgens de gemachtigde is de afvalzak daarna vermoedelijk door een derde, bijvoorbeeld een schoonmaker of een buurman, uit de hal meegenomen en buiten neergezet.
De gemachtigde stelt dat van [appellante] het onmogelijke wordt verwacht als zij achteraf moet bewijzen wie de afvalzak heeft verplaatst op een moment dat zij daar niet bij was. Volgens hem is aannemelijk gemaakt dat de afvalzak door een derde uit de hal naar buiten is gebracht. Het college had dit aan de hand van het door gemachtigde naar voren gebrachte nader moeten onderzoeken. Door dat niet te doen, heeft het college volgens [appellante] in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. De gemachtigde wijst er daarbij op dat een poststuk of afvalzak eenvoudig door een ander kan worden verplaatst. Als de enkele aanwezigheid van een naam op een poststuk voldoende is om de kosten van bestuursdwang te verhalen, ook nadat is uitgelegd dat een ander de afvalzak heeft verplaatst, komt de rechtszekerheid volgens hem in gevaar.
Verder voert de gemachtigde aan dat [appellante] op het moment van de constatering van de overtreding niet thuis was. Hij, als partner en huisgenoot van [appellante], stelt dat hij de afvalzak heeft willen weggooien en dat [appellante] de afvalzak niet heeft aangeraakt en niet fysiek bij deze handelingen aanwezig is geweest. Tot slot betoogt de gemachtigde van [appellante] dat het bedrag dat voor de toepassing van spoedeisende bestuursdwang in rekening is gebracht, niet in verhouding staat tot de werkelijk gemaakte kosten.
3.       In het verweerschrift stelt het college zich op het standpunt dat het ervan mocht uitgaan dat de aangetroffen afvalzak afkomstig is van [appellante], omdat in de plastic tas een brievenbuspakketje met haar naam en adres is aangetroffen. Het college verwijst daarbij naar het zogenoemde bewijsvermoeden. Volgens het college is het vervolgens aan [appellante] om aannemelijk te maken dat zij niet degene is geweest die de plastic tas verkeerd heeft aangeboden.
Volgens het college is [appellante] daarin niet geslaagd. Het college erkent dat niet volledig kan worden uitgesloten dat een derde de afvalzak uit de hal heeft meegenomen en buiten bij de container heeft geplaatst. Die enkele mogelijkheid is volgens het college echter onvoldoende om het bewijsvermoeden te weerleggen. De verklaring van [appellante] is volgens het college niet concreet, gedetailleerd en met objectieve gegevens onderbouwd. Het college wijst erop dat als een dergelijke alternatieve mogelijkheid al voldoende zou zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen, van dat bewijsvermoeden weinig zou overblijven.
Verder stelt het college dat het betoog dat [appellante] op het moment van de constatering niet thuis was en dat haar gemachtigde de afvalzak zou hebben willen weggooien, niet maakt dat [appellante] niet als overtreder mocht worden aangemerkt.
Over de kosten stelt het college dat de hoogte daarvan volgt uit de Beleidsregels toepassing spoedeisende bestuursdwang bij verkeerd aangeboden afval Groningen 2023 (Beleidsregels). Volgens het college gaat het om een vast bedrag per overtreding. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de hoeveelheid afval, de mate van verwijtbaarheid of de vraag of sprake is van herhaling.
4.       [appellante] heeft gereageerd op het verweerschrift van het college. Daarbij heeft de gemachtigde van [appellante] bankafschriften en screenshots van WhatsApp-berichten overgelegd. Volgens de gemachtigde blijkt daaruit dat zij op de dag van de overtreding en de dag daarvoor, op 21 en 22 december 2025, in Utrecht verbleef. Het besluit zou om die reden aan de verkeerde persoon zijn gericht.
Verder betwist [appellante] het standpunt van het college dat haar verklaring over de verplaatsing van de afvalzak door een derde niet met bewijs is onderbouwd. In dat verband wordt verwezen naar de jaarafrekening servicekosten 2025, die zij bij de verhuurder van het pand heeft opgevraagd. Uit dit document blijkt dat de schoonmaak van het wooncomplex in de betreffende maand was gepland in week 52 van 2025. Daarmee acht [appellante] de verklaring dat het plastic tasje door een schoonmaker of een andere derde uit de hal is meegenomen en buiten is geplaatst, nader onderbouwd.
5.       Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 houdt in dat huishoudelijke afvalstoffen alleen mogen worden aangeboden op de wijze en plaats die het college heeft vastgesteld voor het gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen.
Artikel 10, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 houdt in dat geen afvalstoffen, waaronder een (gesloten) huisvuilzak, buiten de inzamelmiddelen mogen worden achtergelaten.
6.       De Afdeling stelt voorop dat het bedrag dat het college voor rekening van [appellante] heeft gebracht, geen boete is. Het betreft de kosten die het college stelt te hebben gemaakt voor het verwijderen van de doos.
De omstandigheid dat niet [appellante] zelf, maar haar partner met wie zij samenwoont  de plastic tas met daarin het brievenbuspakketje ter inzameling heeft willen aanbieden, leidt niet tot het oordeel dat het college [appellante] niet voor de overtreding verantwoordelijk kon houden. De plastic tas was afkomstig uit de woning van [appellante] en daarin is een brievenbuspakketje met haar naam- en adresgegevens aangetroffen. De partner en gemachtigde van [appellante] heeft verklaard dat hij de plastic tas heeft willen weggooien en deze, nadat de ondergrondse afvalcontainer volgens hem niet werkte, in de gemeenschappelijke hal van het wooncomplex heeft neergezet. Daarmee is de afvalzak ook  vanaf dat moment in de machtssfeer van [appellante] als bewoner  van het wooncomplex  gebleven. Door de plastic tas vervolgens onbeheerd in de gemeenschappelijke hal achter te laten, is het risico genomen dat een derde, zoals een schoonmaker, de plastic tas zou meenemen en buiten zou plaatsen. Dat risico hoort bij [appellante] als bewoner van het wooncomplex.
Voor zover de gemachtigde van [appellante] betoogt dat het college nader onderzoek had moeten doen naar de mogelijkheid dat een schoonmaker, buurman of andere derde de plastic tas uit de hal heeft meegenomen en buiten heeft geplaatst, volgt de Afdeling haar daarin niet. [appellante] heeft niet met concrete en objectieve gegevens onderbouwd wie de zak zou hebben verplaatst en wanneer dat zou zijn gebeurd. De enkele verwijzing naar de jaarafrekening servicekosten 2025, waaruit volgens [appellante] blijkt dat de schoonmaak in week 52 van 2025 stond gepland, is daarvoor onvoldoende. Daaruit volgt niet voldoende dat een schoonmaker daadwerkelijk heeft meegenomen en buiten heeft geplaatst, nog daargelaten dat - zoals hiervoor is overwogen - de partner van [appellante] een zeker risico heeft genomen door de tas onbeheerd in de gemeenschappelijke hal achter te laten. Het ligt onder die omstandigheden dan ook  niet op de weg van het college verder onderzoek te doen.
Over de hoogte van de kosten overweegt de Afdeling dat uit artikel 2 van Pro de Beleidsregels volgt dat de met toepassing van spoedeisende bestuursdwang gemaakte kosten worden verhaald op de overtreder. Het college heeft deze kosten vastgesteld op € 212,10 per overtreding, tot drie zakken afval. In de beleidsregels is gespecifieerd hoe dit bedrag is opgebouwd. Het gaat onder meer om kosten voor het opmaken van het rapport door de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa), de inzet van medewerkers van de buitendienst, het opmaken van de kostenverhaalsbeschikking, verwerkingskosten, transportkosten en coördinatiekosten. In het licht van deze specificatie ziet de Afdeling geen grond om het in rekening gebrachte bedrag onredelijk hoog te achten.
7.       Het beroep is ongegrond.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
195