ECLI:NL:RVS:2026:3810

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202505744/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Afvalstoffenverordening Gemeente Castricum 2022Art. 9 Afvalstoffenverordening Gemeente Castricum 2022Art. 24, eerste lid, aanhef en onder a, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verplaatsing clusterplaats minicontainers in Castricum

Het college van burgemeester en wethouders van Castricum wees het verzoek van appellant tot verplaatsing van de clusterplaats voor minicontainers aan de Goudenregenlaan/Berkenlaan af. Appellant klaagde over stank, onjuist geplaatste containers en parkeerproblemen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat stankoverlast en foutparkeren handhavingskwesties zijn en geen reden vormen om de locatie te wijzigen. Ook de verkeersveiligheid werd door een gemeentelijke verkeerskundige als toereikend beoordeeld.

De door appellant voorgestelde alternatieve locatie werd door het college als minder geschikt beoordeeld vanwege verkeersveiligheid, aanwezigheid van een lantaarnpaal en loopafstand. De Afdeling vond dat het college deze belangen zorgvuldig had afgewogen en de locatiekeuze mocht handhaven.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot verplaatsing van de clusterplaats wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202505744/1/R1.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Castricum,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Castricum,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] tot het wijzigen van de clusterplaats voor minicontainers aan de Goudenregenlaan/Berkenlaan in Castricum afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2025 heeft het college, in vervolg op de mondelinge uitspraak van de Afdeling van 21 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4873, opnieuw beslist op het daartegen gemaakte bezwaar en het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. E.F. Boschma en M.E. Engel, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] woont aan de [locatie 1] in Castricum, op de hoek van die laan en de Goudenregenlaan. Aan de Goudenregenlaan, direct ten oosten van zijn perceel, bevindt zich een clusterplaats voor minicontainers. [appellant] stelt overlast door de clusterplaats te ondervinden vanwege stank, onjuist geplaatste containers en het verlies van parkeerplaatsen. [appellant] probeert al jaren, in ieder geval vanaf 2012, het gemeentebestuur ertoe te bewegen om de clusterplaats aan te passen dan wel om de locatie te wijzigen. [appellant] heeft een alternatieve locatie aangedragen op de noordelijke stoep van de Berkenlaan, maar volgens het college is deze locatie minder geschikt.
Toetsingskader
2.       Artikel 7, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Gemeente Castricum 2022 bepaalt: "Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel."
3.       Bij de keuze van een locatie voor een clusterplaats moet het college een afweging maken van alle belangen die hierbij betrokken zijn. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de nadelige gevolgen van de aangewezen locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de te dienen doelen van de locatie. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de clusterplaats.
4.       Bij het aanwijzen van een locatie voor een clusterplaats hanteert het college locatiecriteria, die zijn neergelegd in het Handboek inrichting openbare ruimte Gemeente Castricum.
Overlast clusterplaats
5.       [appellant] betoogt dat de clusterplaats moet worden verplaatst. Hiertoe voert hij aan dat de clusterplaats zorgt voor verschillende vormen van overlast. Ten eerste zorgt de clusterplaats voor stankoverlast veroorzaakt door het afval in de containers. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat zich extra stankoverlast voordoet doordat de eerste containers voorafgaand aan de inzameling op woensdag al op dinsdag worden neergezet en de laatste soms pas op zaterdag weer wordt opgehaald. Ten tweede worden er soms rolcontainers voor de uitrit van [appellant] neergezet. Volgens [appellant] wordt hier niet door het gemeentebestuur tegen opgetreden. Ook zorgt de huidige clusterplaats volgens [appellant] voor parkeeroverlast, omdat de rolcontainers parkeerplaatsen innemen waardoor voor de uitrit van [appellant] wordt geparkeerd.
6.       De Afdeling is van oordeel dat stankoverlast onder normale omstandigheden niet aan de aanwijzing van een locatie in de weg hoeft te staan. Het correct aanbieden zorgt ervoor dat de stankoverlast tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft. Daarbij is van belang dat het op grond van artikel 9 van Pro de Afvalstoffenverordening Gemeente Castricum 2022 verboden is om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Wat [appellant] hierover aanvoert maakt niet dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie te wijzigen. In dat verband overweegt de Afdeling dat het onjuist aanbieden van afval een handhavingskwestie is, wat geen relevant aspect is bij de beoordeling of een locatie geschikt is. Een eventueel gebrekkige handhaving tast de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing van het verzoek tot het aanpassen van de locatie van de clusterplaats niet aan. Ook foutparkeren is een kwestie van handhaving. Dit betekent dat ook de parkeerproblemen geen redenen behoefden te vormen om de locatie van de clusterplaats aan te passen.
Het betoog slaagt niet.
Verkeersveiligheid
7.       [appellant] betoogt dat bij de huidige clusterplaats de vuilniswagen bij het legen van de containers in een bocht moet stilstaan. Volgens [appellant] is het bekend dat er binnen 5 meter van een bocht niet mag worden geparkeerd. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij hiermee het standpunt inneemt dat het legen van de containers op deze locatie niet verkeersveilig kan gebeuren.
8.       De Afdeling is van oordeel dat het college de locatie geschikt heeft mogen achten uit het oogpunt van verkeersveiligheid. Er zijn wat dat betreft geen locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden die maken dat het college reden had moeten zien om de locatie te wijzigen. Daarbij is van belang dat een verkeerskundige van de gemeente heeft geoordeeld dat de containers op de locatie veilig kunnen worden geleegd. In wat [appellant] aanvoert bestaat geen grond om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Hierbij is van belang dat het op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 weliswaar is verboden om bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan een voertuig te parkeren, maar dat het niet verboden is een voertuig daar te laten stilstaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over de geschiktheid van de locatie
9.       Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college de huidige locatie geschikt heeft mogen achten voor het gebruik als clusterplaats.
Alternatieve locatie
10.     [appellant] draagt een alternatieve locatie aan, namelijk de overzijde van de straat tegenover zijn woning. Volgens [appellant] zou slechts één omwonende bezwaar hebben tegen die locatie. Deze bezwaarmaker maakt zelf geen gebruik van de clusterplaats en heeft een nieuw alternatief voorgesteld tegenover [locatie 2]. De gebruikers van de clusterplaats hebben geen van allen bezwaar gemaakt. De alternatieve locatie is volgens [appellant] verkeersveiliger, omdat de vuilniswagen in de rijrichting langs de kant kan stoppen.
11.     In overweging 9 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de bestaande locatie geschikt heeft mogen achten voor het gebruik als clusterplaats. De Afdeling zal niettemin beoordelen of het college toch had moeten kiezen voor het wijzigen van de locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet dan wel zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
12.     Het college stelt zich op het standpunt dat de door [appellant] aangedragen alternatieve locatie niet geschikter is dan de huidige locatie. Het college stelt dat de alternatieve locatie 20 meter verder ligt voor sommige gebruikers en dat er onvoldoende draagvlak is voor deze locatie. Het college heeft nog onderzocht of een clusterplaats aan de andere zijde van de ter plaatse aanwezige lantaarnpaal mogelijk is, maar ook deze locatie stuitte op één bezwaarmaker. Verder wijst het college er in het verweerschrift op dat er in beginsel geen clusterplaatsen op T-splitsingen worden aangewezen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat dit niet gebeurt omdat een clusterplaats bij T-splitsingen onoverzichtelijke verkeersituaties oplevert. Daarbij zou de aanwezigheid van de lantaarnpaal volgens het college de ledigingswagen belemmeren bij het legen van de containers.
Ten slotte is de locatie tegenover [locatie 2] geen geschikt alternatief vanwege de te overbruggen loopafstand, aldus het college.
13.     De Afdeling is van oordeel dat het college zich met deze motivering op het standpunt heeft mogen stellen dat de alternatieve locatie niet zodanig geschikter is dat het daarvoor had moeten kiezen. Het college heeft zijn stelling dat het bezwaarlijk is dat deze locatie 20 meter verder is voor sommige gebruikers, op zichzelf niet nader onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de stelling dat er onvoldoende draagvlak is voor die locatie; dat er maar één bezwaarmaker was, is  niet zonder meer voldoende voor die conclusie. Dit doet er echter niet aan af dat het college alleen al vanwege de verkeersveiligheid en de aanwezigheid van de lantaarnpaal, de locatie minder geschikt heeft mogen achten. Dit geldt ook voor de locatie aan de andere zijde van de lantaarnpaal.
Dat de locatie bij de [locatie 2] niet geschikt is vanwege de loopafstand, is niet door [appellant] bestreden en behoeft dan ook geen verdere bespreking.
Het betoog slaagt niet.
Realisatie clusterplaats volgens tekening 2011
14.     Ten slotte betoogt [appellant] dat het college moet worden opgedragen om de clusterplaats uit te voeren zoals vermeld op de tekening behorend bij het aanwijzingsbesluit van 24 mei 2011, met oplegging van een dwangsom. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat de clusterplaats niet is uitgevoerd volgens de tekening, omdat de clusterplaats volgens die tekening kleiner is dan dat die in werkelijkheid is.
14.1.  De Afdeling is van oordeel dat deze beroepsgrond zich richt tegen het realiseren van de clusterplaats in afwijking van het aanwijzingsbesluit. Het niet uitvoeren van de clusterplaats volgens de tekening is echter geen onderdeel van wat in deze procedure ter beoordeling staat. In deze procedure staat enkel de afwijzing van het verplaatsen van de clusterplaats naar de Berkenlaan ter beoordeling.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
15.     De Afdeling is van oordeel dat het college vast heeft mogen houden aan de huidige locatie van de clusterplaats. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.
16.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
195-1185