ECLI:NL:RVS:2026:3811

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202504682/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbAfdeling 3.4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen intrekking containerlocatie in Rotterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bij besluit van 14 juli 2025 de containerlocaties met nummers 1000, 1001 en 1002 in de Bilderdijkstraat, waaronder de locatie nabij huisnummer 196, ingetrokken. Appellant, wonende nabij deze locatie, maakte bezwaar tegen het verwijderen van de containers en stelde beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling heeft het beroep behandeld en beoordeeld of het college het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en of de intrekking van de containerlocatie onevenredig nadelige gevolgen heeft voor appellant. Het college heeft de locatiekeuze gebaseerd op beleidsdocumenten en hanteert een brengafstand van circa 100 tot 125 meter voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). De Afdeling oordeelt dat de afstand tot de vervangende ORAC’s binnen deze norm blijft en dat het college geen reden had om de locatie te behouden.

Verder is geoordeeld dat het college niet verplicht was appellant voorafgaand aan het besluit te consulteren, omdat een uitgebreide voorbereidingsprocedure met mogelijkheid tot zienswijze is gevolgd. Ook de klachten over bereikbaarheid en gebruiksgemak van de ORAC’s zijn niet relevant voor de beoordeling van het intrekkingsbesluit. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de containerlocatie nabij huisnummer 196 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202504682/1/R1.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit, bekendgemaakt op 14 juli 2025, heeft het college besloten tot intrekking van de containerlocaties met de nummers 1000, 1001 en 1002 in de Bilderdijkstraat ter hoogte van de nummers 110, 178 en 196.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellant], vergezeld van [persoon] en bijgestaan door mr. D.S. Muller, advocaat in Harderwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Hielkema en D.F. Cairo, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij het besluit heeft het college de locaties voor halfverdiepte afvalcontainers ter hoogte van Bilderdijkstraat 110, 178 en 196 ingetrokken. Deze containers zijn inmiddels verwijderd. [appellant] woont aan de [locatie], nabij de locatie waar de containers ter hoogte van huisnummer 196 stonden. [appellant] is het niet eens met het verwijderen van deze containers en het beroep beperkt zich daarom tot deze locatie.
Ter vervanging van de containers op de ingetrokken locaties heeft het college bij eerdere besluiten van 8 juni 2022 en 1 september 2023 de locaties Bilderdijkstraat ter hoogte van nummer 7 en Van Lennepstraat ter hoogte van nummer 51 als locaties voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) aangewezen.
Toetsingskader
2.       Bij de keuze van een locatie voor een inzamelvoorziening voor huishoudelijk afval moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie of de intrekking daarvan niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing of de intrekking van de aanwijzing te dienen doelen.
3.       In deze procedure gaat het om de intrekking van een locatie voor het aanbieden van restafval. De keuze van het college om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ondergrondse containers, ligt op zichzelf niet ter beoordeling voor.
3.1.    Het college heeft bij de intrekking van de locatie de uitgangspunten zoals neergelegd in de Richtlijn "Toegankelijke Buitenruimte" van 2 mei 2018, het "Programma van eisen locaties onderlossende containers" van mei 2018 en de "Grondstoffennota 2023-2026" betrokken.
Is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
4.       [appellant] betoogt dat het besluit gebrekkig is voorbereid, omdat er voorafgaand aan het besluit geen overleg is geweest om zijn belangen te bespreken en te bezien of hiervoor een oplossing kon worden gevonden.
5.       De Afdeling vat het betoog van [appellant] op als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college dient op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.
De Afdeling overweegt dat het college bij de voorbereiding van het besluit [appellant] niet actief hoefde te benaderen voor een overleg. Het college heeft het besluit voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat [appellant] de mogelijkheid had om een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerpbesluit. [appellant] heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. Het college heeft hiermee de juiste procedure gevolgd en het besluit is gelet hierop zorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt niet.
Afstand tot ondergrondse afvalcontainers
6.       [appellant] betoogt dat hij en zijn vrouw slecht ter been zijn en dat zijn vrouw rolstoelafhankelijk is. Door de verwijdering van de containers voor de woning, moeten [appellant] en zijn vrouw een grotere afstand afleggen om bij de vervangende ORAC’s te komen. Ook is [appellant] van mening dat het college bij het renoveren van de straat ten onrechte niet heeft onderzocht of het mogelijk is om op de locatie van de verwijderde containers nieuwe ORAC’s te plaatsen.
6.1.    Bij het bepalen van de locaties voor ORAC’s heeft het college als criterium gehanteerd dat de brengafstand vanaf een perceel ongeveer 100 tot 125 meter bedraagt. De Afdeling stelt voorop dat de afstand tussen de woning van [appellant] en de ORAC’s op de locatie Van Lennepstraat 51 kleiner is. Er resteert met het wegvallen van de locatie voor de woning van [appellant] dus nog een ORAC die voldoet aan het door het college gehanteerde criterium. De Afdeling ziet gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat de afstand tussen de woning van [appellant] en de ORAC’s zodanig groot is dat het college de locatie nabij huisnummer 196 niet had mogen intrekken. Weliswaar kan het afleggen van deze afstand belastend zijn voor mensen als de rolstoelafhankelijke vrouw van [appellant], maar daarin heeft het college, gelet op zijn beleidsruimte en de plaatsingscriteria, geen reden hoeven zien om de ingetrokken locaties te behouden.
Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat het college had moeten overwegen om ORAC’s op de locatie van de verwijderde afvalcontainers te plaatsen. Het college kan erin worden gevolgd dat het verleggen van de aanwezige leidingen en kabels gepaard zou gaan met hoge kosten, risico’s voor bestaande voorzieningen en mogelijke vertraging in de uitvoering. Op de zitting heeft het college toegelicht dat met de werkzaamheden aan de Bilderdijkstraat geen kabels en/of leidingen worden verlegd. Wat [appellant] aanvoert geeft geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.
Daarom ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college de containerlocatie niet had mogen intrekken.
Het betoog slaagt niet.
Gevolgen verwijderen afvalcontainers
7.       Ook betoogt [appellant] dat er geen reden was om de containers ter hoogte van Bilderdijkstraat 196 te verwijderen vanwege bij-/naast plaatsingen. Ook nu de containers verwijderd zijn, wordt op de plek ervan afval neergezet.
7.1.    De Afdeling is van oordeel dat het verkeerd aanbieden van afval en de daarmee gepaard gaande overlast, een kwestie is van handhaving die in beginsel geen rol speelt bij de aanwijzing van een locatie voor containers, en in het verlengde daarvan ook niet bij de intrekking daarvan. Dit maakt dat wat [appellant] hierover aanvoert geen grond vormt waarom het college niet mocht besluiten tot intrekking van de containerlocatie.
Het betoog slaagt niet.
Bruikbaarheid ondergrondse afvalcontainers
8.       Daarnaast betoogt [appellant] dat de ORAC’s niet goed bereikbaar zijn met een rolstoel vanwege het slechte straatwerk rondom de ORAC’s. Ook heeft hij erop gewezen dat zijn vrouw het draaimechanisme van de opening niet goed kan gebruiken vanwege haar rolstoelafhankelijkheid.
8.1.    De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond zich richt tegen het veranderen van het inzamelmiddel. De keuze daarvoor staat in deze procedure echter niet ter beoordeling. Het betoog moet daarom buiten beschouwing blijven.
Conclusie
9.       Het beroep is ongegrond.
10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
195-1185