ECLI:NL:RVS:2026:3819

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202503532/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:25 AwbArt. 170 WvwArt. 173 WvwArt. 24 RVV 1990Art. 3 Wegsleepverordening Vlaardingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuursrechtelijke uitspraak over wegslepen voertuig en kostenverhaal

Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen heeft op 8 april 2024 spoedeisende bestuursdwang toegepast door het voertuig van appellante weg te slepen vanwege een parkeerverbod in verband met de opbouw van een kermis. Het voertuig werd naar een opslaglocatie Barendregt gebracht, die niet als bewaarplaats was aangewezen in de Wegsleepverordening.

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en voerde aan dat het wegslepen naar een niet-aangewezen bewaarplaats onrechtmatig was en dat de grondslag voor het kostenverhaal ontbrak. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel.

De Afdeling oordeelt dat het college bevoegd was het voertuig weg te slepen op grond van artikel 170 Wvw Pro en dat het gebruik van een niet-aangewezen bewaarplaats niet afdoet aan deze bevoegdheid. Tevens is het kostenverhaal op appellante terecht, omdat zij wist of had moeten weten van het parkeerverbod en geen nadeel heeft ondervonden van de gekozen bewaarplaats.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202503532/1/A2.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Vlaardingen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2025 in zaak nr. 24/10056 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen.
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2024 heeft het college zijn beslissing op schrift gesteld om op 8 april 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door het voertuig van [appellante] met kenteken [kenteken] (het voertuig) weg te slepen en in bewaring te stellen en de kosten hiervan op [appellante] te verhalen.
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.N.D.J. Rissema, en het college, vertegenwoordigd door F. Rodjan en M. Bos, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 25 maart 2024 heeft het college vanwege de opbouw van een kermis onderborden laten plaatsen bij de E4-borden aan de Broekweg in Vlaardingen (de locatie). Op de onderborden staat dat parkeren verboden is van 8 april 2024 08:00 uur tot 15 april 2024 15:00 uur en dat de wegsleepregeling van kracht is. Het voertuig stond volgens de takelkaart op 8 april 2024 om 11:55 uur op de locatie. Het voertuig is daarom weggesleept en overgebracht naar een opslagloods van takel- en bergingsbedrijf A. Barendregt in Rhoon (de opslaglocatie Barendregt). De opslaglocatie Barendregt is niet als bewaarplaats aangewezen in artikel 3 van Pro de Wegsleepverordening Vlaardingen, zoals die gold van 13 juli 2018 tot en met 23 juli 2025. Het college heeft de kosten van het wegslepen op [appellante] verhaald.
2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Besluitvorming
3.       Het college heeft op 8 april 2024 een melding ontvangen dat het voertuig die dag omstreeks 11:50 uur nog steeds geparkeerd stond op de locatie. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) in samenhang gelezen met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, derde onderdeel, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Het college heeft besloten om spoedeisende bestuursdwang toe te passen omdat het noodzakelijk was om direct op te treden vanwege de opbouw van de kermis. Het college heeft daarbij gewezen op de door de verbalisant opgestelde takelkaart. De onderborden zijn geplaatst op 25 maart 2024 en volgens het college is een termijn van twee weken redelijk. Verder is er ook geflyerd in de buurt. In dat wat [appellante] heeft aangevoerd heeft het college geen aanleiding gezien om vanwege bijzondere omstandigheden af te zien van zijn bevoegdheid om het voertuig weg te laten slepen. Voor het kostenverhaal heeft het college gewezen op artikel 5:25 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de kosten van de bestuursdwang op [appellante] mocht verhalen, omdat zij wist of had moeten weten van het van kracht worden van het parkeerverbod. Het college heeft de kosten conform artikel 4, eerste lid, van de Wegsleepverordening bepaald op € 145,00. [appellante] heeft het voertuig dezelfde dag opgehaald.
3.1.    Over het wegslepen naar de niet als plaats van bewaring in artikel 3 van Pro de Wegsleepverordening aangewezen opslaglocatie Barendregt, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het belang van het vrijmaken van het terrein voor de opbouw van de kermis zwaarder weegt dan het wegslepen naar een andere opslaglocatie. In het verweer in beroep heeft het college toegelicht dat het in artikel 3 van Pro de Wegsleepverordening als eerste aangewezen bewaarterrein vol was, de samenwerking met het als tweede aangewezen bewaarterrein was beëindigd en het als derde aangewezen bewaarterrein was opgeheven. Hierdoor moest tijdelijk worden uitgeweken naar een locatie van een andere partij in afwachting van een nieuwe aanbesteding. De Wegsleepverordening zal volgens het college worden aangepast. Volgens het college heeft [appellante] hiervan geen nadeel ondervonden, omdat zij haar voertuig de volgende dag heeft opgehaald en geen extra kosten heeft gemaakt.
Beoordeling hoger beroep
Overtreding
4.       De grond die [appellante] aanvoert over de aannemelijkheid van de overtreding is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De grond slaagt niet.
Wegslepen naar een niet-aangewezen bewaarplaats en kostenverhaal
5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college door het voertuig weg te slepen naar de opslaglocatie Barendregt in strijd heeft gehandeld met artikel 173, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw en artikel 3 van Pro de Wegsleepverordening en dat de grondslag voor het kostenverhaal daarom ontbreekt.
5.1.    Voor zover [appellante] met haar betoog bedoelt dat het college niet bevoegd was het voertuig weg te slepen omdat het voertuig naar een niet in artikel 3 van Pro de Wegsleepverordening genoemde bewaarplaats is gebracht, slaagt dat niet. De bevoegdheid van het college om het voertuig weg te slepen is immers geregeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw, zoals ook de rechtbank in haar uitspraak onder 7.1 heeft opgemerkt. Artikel 173, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw bepaalt dat ter uitvoering van onder meer artikel 170 bij Pro een gemeentelijke verordening nadere regels moeten worden gesteld over de aanwijzing van de plaatsen waar verwijderde voertuigen in bewaring worden gesteld. Dat heeft de raad van de gemeente Vlaardingen gedaan in artikel 3 van Pro de Wegsleepverordening. Dat het voertuig naar een niet in de Wegsleepverordening genoemde bewaarplaats is weggesleept, doet niet af aan de bevoegdheid van het college om het voertuig weg te slepen van de locatie, waar de overtreding is begaan.
5.2.    Ook het betoog dat de grondslag voor het kostenverhaal ontbreekt omdat de opslaglocatie Barendregt niet is aangewezen in de Wegsleepverordening, slaagt niet. De grondslag voor het kostenverhaal is, zoals het college in het besluit van 29 april 2024 heeft vermeld, artikel 5:25, eerste lid, van de Awb. Uit artikel 5:25, eerste lid, van de Awb volgt de hoofdregel dat de kosten van bestuursdwang worden verhaald op de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening moeten komen. De Afdeling is van oordeel dat de kosten van het wegslepen redelijkerwijs voor rekening van [appellante] behoren te komen. Het college heeft de kosten van het wegslepen op 25 juni 2024 gecorrigeerd naar het laagste tarief dat in artikel 4, eerste lid, van de Wegsleepverordening is opgenomen en het is niet gebleken dat de [appellante] enig nadeel heeft ondervonden doordat het voertuig niet naar een in de Wegsleepverordening aangewezen bewaarplaats, maar naar de opslaglocatie Barendregt is weggesleept.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
154-1190
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:25
1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
[…].
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 170
1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van Pro de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met
[…]
c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.
[…].
Artikel 173
[…].
2. Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval
a. de aanwijzing van de plaats, onderscheidenlijk de plaatsen, waar verwijderde voertuigen in bewaring worden gesteld, en
[…].
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Artikel 24
1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
[…]
d. op een parkeergelegenheid:
[…]
3˚. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden;
[…].
Wegsleepverordening Vlaardingen, geldend van 13 juli 2018 tot en met 23 juli 2025
Artikel 3 Plaats Pro van bewaring
Als plaatsen van bewaring van weggesleepte voertuigen worden aangewezen:
a. het bewaarterrein van de gemeente aan de [locatie 1] in Vlaardingen;
b. het bewaarterrein van Logicx aan de [locatie 2] in Rotterdam;
c. het bewaarterrein van de politie aan de [locatie 3] in Rotterdam.
Artikel 4. Kosten overbrengen en bewaren voertuigen
1. De kosten van het overbrengen van een voertuig naar het bewaarterrein van de gemeente en Logicx bedragen € 145,00 en naar het bewaarterrein van de politie € 211,00.
[…].