ECLI:NL:RVS:2026:383

Raad van State

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002037
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod

De minister van Asiel en Migratie heeft op 6 maart 2025 de verblijfsvergunningen asiel van betrokkene voor bepaalde en onbepaalde tijd ingetrokken, het vertrek uit Nederland onmiddellijk bevolen en een inreisverbod opgelegd. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 oktober 2025 het besluit vernietigde en het beroep gegrond verklaarde.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling constateerde dat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend; de termijn eindigde op 17 november 2025, maar het stuk kwam pas op 24 november 2025 binnen. De minister kon geen gegronde reden geven voor de late indiening.

Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, die verband hielden met de behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

BRS.25.002037
Datum uitspraak: 23 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2025 in zaak nr. NL25.15066 in het geding tussen:
[betrokkene],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister de aan betrokkene verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde en bepaalde tijd ingetrokken. Daarnaast heeft de minister bepaald dat betrokkene Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 maart 2025 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Berger, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.        De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 17 november 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De Afdeling heeft op 17 november 2025 de uitspraak van de rechtbank ontvangen. Op 24 november 2025 is het hogerberoepschrift binnengekomen via Veilig Mailen. De minister heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat de minister heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Hieruit blijkt namelijk niet dat de minister daadwerkelijk tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026
966