ECLI:NL:RVS:2026:3832

Raad van State

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002450
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 50a Vw 2000Art. 59a Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onrechtmatigheid staandehouding en bewaring vreemdeling na Dublinoverdracht

Appellant werd op 22 april 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Tegen dit besluit stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen sprake was van een onrechtmatige staandehouding. De staandehouding was gemotiveerd op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, ter voorbereiding van het besluit tot inbewaringstelling op grond van artikel 59a van die wet.

De vermeende verdenking van overtreding van artikel 59b, eerste lid, onder c, was een kennelijke verschrijving in het proces-verbaal. De Afdeling zag geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.002450
Datum uitspraak: 3 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 mei 2026 in zaak nr. NL26.23688 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 11 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pater, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat in het geval van appellant geen sprake is geweest van een onrechtmatige staandehouding. In het proces-verbaal van staandehouding staat immers duidelijk dat appellant op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 is staandegehouden ter voorbereiding van een besluit omtrent zijn inbewaringstelling op grond van artikel 59a van de Vw 2000, omdat hij zich na een eerdere Dublinoverdracht aan Zwitserland opnieuw heeft gemeld in Ter Apel. Voor een staandehouding op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 is dit een toereikende motivering. Dat in het proces-verbaal ook is vermeld dat appellant is staandegehouden op verdenking van overtreding van artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, maakt dit niet anders. Uit de rest van het proces-verbaal blijkt immers dat dit een kennelijke verschrijving is.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026
644