ECLI:NL:RVS:2026:3832
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid staandehouding en bewaring vreemdeling na Dublinoverdracht
Appellant werd op 22 april 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Tegen dit besluit stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen sprake was van een onrechtmatige staandehouding. De staandehouding was gemotiveerd op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, ter voorbereiding van het besluit tot inbewaringstelling op grond van artikel 59a van die wet.
De vermeende verdenking van overtreding van artikel 59b, eerste lid, onder c, was een kennelijke verschrijving in het proces-verbaal. De Afdeling zag geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.