ECLI:NL:RVS:2026:3837

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003208
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 2 april 2026 niet in behandeling is genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 26 mei 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld door verzoeker. Tijdens de procedure verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij niet zou worden overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te ontvangen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de voorlopige voorziening passend is. Daarom werd bepaald dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan op 1 juli 2026 door voorzieningenrechter M.J.M. Ristra-Peeters van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.003208
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker] mede voor haar minderjarige kinderen
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 mei 2026 in zaak nr. NL26.18858 in het geding tussen:
[verzoeker], mede voor haar minderjarige kinderen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
1065