ECLI:NL:RVS:2026:3842

Raad van State

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
BRS.25.002302
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico terugkeer Somalië

Appellant, met de Somalische nationaliteit, vroeg asiel aan uit vrees voor vervolging door Al-Shabaab vanwege een beschuldiging van overspel. De minister wees de aanvraag af omdat appellant volgens hem niet aannemelijk had gemaakt dat zij een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Somalië.

De rechtbank bevestigde dit standpunt, stellende dat appellant zich aan de oproep van Al-Shabaab kon onttrekken en dat er geen bewijs was dat zij gedwongen zou worden voor de islamitische rechtbank te verschijnen. De rechtbank vond de vrees voor steniging gebaseerd op aannames en niet op voldoende bewijs.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de minister het besluit ondeugdelijk had gemotiveerd. De Afdeling stelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met landeninformatie over de strikte en brute rechtspraak van Al-Shabaab, de mogelijkheid dat Al-Shabaab ook buiten haar controlegebied lijfstraffen uitvoert, en het verhoogde risico voor appellant als lid van een etnische minderheid.

De Afdeling vernietigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval de minister een nieuw besluit te nemen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden in acht moeten worden genomen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van de minister tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Somalië.

Uitspraak

BRS.25.002302
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 21 november 2025 in zaak nr. NL25.12365 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.D. Schraa, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1.        Appellant heeft de Somalische nationaliteit. Zij heeft een asielaanvraag ingediend, omdat zij bij terugkeer naar Somalië vreest voor Al-Shabaab. Appellant heeft in dat kader verklaard dat zij is gescheiden van haar ex-partner en dat zij daarna een nieuwe relatie heeft gekregen. De ex-partner was het niet eens met die relatie en heeft gedreigd aangifte te doen van overspel bij Al-Shabaab. Appellant is daarna gebeld door Al-Shabaab met een oproep om zich te melden bij de islamitische rechtbank in Marka-Jilib vanwege die aangifte. Zij vreest daardoor voor bestraffing, onder meer in de vorm van steniging. Naar aanleiding van die oproep is appellant naar Nederland gevlucht.
1.1.        De minister gelooft al deze verklaringen, maar hij heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat appellant volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Somalië. De minister stelt dat appellant zich kan onttrekken aan de oproep en dat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab appellant gedwongen zal meenemen om voor de islamitische rechtbank te verschijnen.
1.2.        De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister het besluit van 18 februari 2025 ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank heeft overwogen dat de minister terecht heeft gesteld dat appellant alleen een telefoontje heeft gehad waarin zij is opgeroepen om zich te melden bij een rechtbank in Marka-Jilib, waarbij niets is gezegd over de schuld van appellant. Daarnaast is appellant niet bedreigd en de vrees voor steniging is slechts gebaseerd op aannames van appellant. Verder heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet kan onttrekken aan de oproep, omdat Marka-Jilib onder controle staat van de Somalische overheid. Het is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat Al-Shabaab appellant zoekt en meeneemt om voor de rechtbank van Al-Shabaab te verschijnen. Daarnaast is niet gebleken dat appellant verplicht is om zich te melden. Appellant en haar familie hebben na de vlucht niets meer vernomen van Al-Shabaab, aldus de rechtbank.
Wat is het oordeel van de Afdeling hierover?
3.        Appellant klaagt in haar eerste grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. Appellant wijst erop dat haar verklaringen dat Al-Shabaab haar heeft opgeroepen wegens een beschuldiging van overspel, geloofwaardig zijn geacht door de minister. Daarom is het de vraag of er bij terugkeer een reëel risico bestaat op vervolging door Al-Shabaab.
3.1.        Appellant betoogt terecht dat de rechtbank niet kenbaar is ingegaan op de beroepsgronden waarin appellant heeft gewezen op landeninformatie. Appellant heeft gewezen op het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025. Daarin staat op blz. 111 dat de rechtbanken van Al-Shabaab recht spreken op basis van een strikte interpretatie van de sharia, ook buiten de door Al-Shabaab gecontroleerde gebieden. De bestraffing van deze rechtbanken kan bruut zijn. Verder wordt vermeld dat Al-Shabaab in staat en bereid is om rechterlijke uitspraken daadkrachtig en strikt te handhaven. In gebieden waar Al-Shabaab minder controle had, was de handhaving in handen van de veiligheidsdienst van Al-Shabaab. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister dit ook had moeten betrekken in zijn motivering en dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant zich aan de oproep kan onttrekken en dat niets zou zijn gezegd over de schuld van appellant.
3.2.        Verder staat op blz. 48 en 49 van het rapport van het EUAA, ‘Somalia - Country Focus’, van mei 2025 dat feiten zoals overspel en seksueel wangedrag volgens een bron in de praktijk zelden worden overgelegd aan de staatsrechtbanken en shariarechtbanken. Het rapport meldt echter ook dat Al-Shabaab een aantal keren lijfstraffen heeft uitgevoerd buiten haar controlegebied wegens zulke feiten. In dat kader heeft de rechtbank niet onderkend dat de vrees van appellant voor een lijfstraf, zoals steniging, niet alleen is gebaseerd op haar eigen aannames, maar ook op landeninformatie. De minister had dit risico op ernstige lijfstraffen ook moeten betrekken in zijn besluit.
3.3.        Tot slot heeft appellant terecht aangevoerd dat de rechtbank niet kenbaar is ingegaan op de verklaring van appellant dat zij behoort tot de etnische minderheidsstam Shaanshi. Daarbij heeft appellant gewezen op blz. 92 en 93 van het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025. Daarin staat dat leden van minderheidsgroepen een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen en bijvoorbeeld ontvoering. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij de beantwoording van de vraag of appellant zich kan onttrekken aan de rechtspraak van Al-Shabaab buiten het controlegebied van Al-Shabaab. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank dit niet heeft onderkend.
3.4.        De eerste grief slaagt.
Conclusie
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 18 februari 2025. De minister moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen. Daarbij moet hij rekening houden met wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen en alle eventuele nieuwe feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordoen. Het hogerberoepschrift roept verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 21 november 2025 in zaak nr. NL25.12365;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        vernietigt het besluit van 18 februari 2025, V-[...];
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
992