ECLI:NL:RVS:2026:3843

Raad van State

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRS.25.002087
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel

Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie op 14 augustus 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit op 28 oktober 2025 ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

Tijdens de procedure informeerde de minister de Afdeling bestuursrechtspraak dat appellant met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) naar Venezuela, zijn land van herkomst, was vertrokken. Appellant had een vertrekverklaring ondertekend waarin hij expliciet instemde met de beëindiging van alle openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel.

Gezien het vertrek en de instemming met beëindiging van de procedures, oordeelde de Raad van State dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant met instemming van beëindiging van procedures naar zijn land van herkomst is vertrokken.

Uitspraak

BRS.25.002087
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2025 in zaak nr. NL25.38880 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 28 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B. Manawi, advocaat in Delft, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.        De minister heeft de Afdeling bij brief van 22 juni 2026 laten weten dat appellant met hulp van de IOM is vertrokken naar Venezuela, zijn land van herkomst. In de door appellant ondertekende vertrekverklaring staat expliciet dat hij ermee instemt dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Gelet daarop heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van zijn hoger beroep.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
977