ECLI:NL:RVS:2026:3852

Raad van State

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003089
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 november 2025 een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 26 mei 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit van de minister vernietigde en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren voordat het hoger beroep is beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de beoordeling van de grieven nader onderzoek vereist en dat de procedure voor voorlopige voorziening zich daarvoor niet leent. Gezien de belangen van beide partijen werd de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep is afgerond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.003089
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2026 in zaak nr. NL25.57957 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
1048