ECLI:NL:RVS:2026:3858
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling van vreemdeling zonder verzoek internationale bescherming
Appellant werd op 3 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat appellant tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling expliciet heeft verklaard geen verzoek om internationale bescherming te willen indienen. Hierdoor kon hij niet worden beschouwd als een asielzoeker met rechtmatig verblijf, zoals vereist voor een rechtmatige inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant krijgt recht op een schadevergoeding van €3.100,00 en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.802,00.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en kent appellant een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige inbewaringstelling.