ECLI:NL:RVS:2026:3860

Raad van State

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003272
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging verstrekkingen bij afwijzing verlenging verblijfsvergunning

Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 15 augustus 2024 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 21 oktober 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 17 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde.

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de verstrekkingen per 3 juli 2026 worden beëindigd. De voorzieningenrechter oordeelde dat vanwege het feit dat de hogerberoepstermijn nog niet was verstreken, een voorlopige voorziening op zijn plaats was.

De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, inclusief het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. Soffers op 2 juli 2026.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.003272
Datum uitspraak: 2 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juni 2026 in zaak nr. NL25.52095 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft op 1 juli 2026 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 juni 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de voorgenomen beëindiging van verstrekkingen op 3 juli 2026 achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
2.        De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoeker ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.        gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door haar voor de behandeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 297,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026
959