ECLI:NL:RVS:2026:3860
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging verstrekkingen bij afwijzing verlenging verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 15 augustus 2024 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 21 oktober 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 17 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de verstrekkingen per 3 juli 2026 worden beëindigd. De voorzieningenrechter oordeelde dat vanwege het feit dat de hogerberoepstermijn nog niet was verstreken, een voorlopige voorziening op zijn plaats was.
De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, inclusief het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. Soffers op 2 juli 2026.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.