ECLI:NL:RVS:2026:3875

Raad van State

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
202307151/3/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsdocument EU/EER na bezwaar en beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 maart 2022 de aanvraag van verzoeker om een verblijfsdocument EU/EER af. Verzoeker maakte bezwaar, dat op 6 maart 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker op 25 oktober 2023 gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. Verzoeker vroeg op 14 juni 2026 de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die haar gelijkstelt aan houder van een artikel 9-document gedurende de procedure. De voorzieningenrechter overwoog dat de belangen van verzoeker onvoldoende waren onderbouwd en wees het verzoek af.

De voorzieningenrechter kondigde tevens aan prejudiciële vragen te willen stellen aan het Hof van Justitie, maar dit veranderde niet de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwde belangen van verzoeker.

Uitspraak

202307151/3/V1.
Datum uitspraak: 3 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 oktober 2023 in zaak nr. NL23.7371 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 6 maart 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Verzoeker heeft bij brief van 14 juni 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Bij brief van 2 juni 2026 heeft de Afdeling aan partijen bericht dat zij voornemens is om in deze zaak prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. In reactie daarop verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat de minister haar voor de duur van de procedure in hoger beroep moet behandelen als ware aan haar een artikel 9-document verschaft. Gelet op de aangevoerde en niet onderbouwde belangen van verzoeker, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
2.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026
91-1097