ECLI:NL:RVS:2026:3875
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsdocument EU/EER na bezwaar en beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 maart 2022 de aanvraag van verzoeker om een verblijfsdocument EU/EER af. Verzoeker maakte bezwaar, dat op 6 maart 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker op 25 oktober 2023 gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. Verzoeker vroeg op 14 juni 2026 de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die haar gelijkstelt aan houder van een artikel 9-document gedurende de procedure. De voorzieningenrechter overwoog dat de belangen van verzoeker onvoldoende waren onderbouwd en wees het verzoek af.
De voorzieningenrechter kondigde tevens aan prejudiciële vragen te willen stellen aan het Hof van Justitie, maar dit veranderde niet de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwde belangen van verzoeker.