ECLI:NL:RVS:2026:3876
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 5 maart 2026 in bewaring. Appellant maakte bezwaar tegen het voortduren van deze maatregel en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 april 2026 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet is toegestaan, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, wat hier niet het geval was.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 7 juli 2026.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.