ECLI:NL:RVS:2026:3889

Raad van State

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
202601421/2/R1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen plaatsing ondergrondse restafvalcontainers in Bezuidenhout-Oost

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft bij besluit van 24 maart 2026 een locatie aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) in de wijk Bezuidenhout-Oost. Verzoekster, wonend nabij deze locatie, vreesde overlast en diende een verzoek in tot schorsing van het besluit via een voorlopige voorziening.

Zij stelde dat de plaatsing zou leiden tot blokkering van nooduitgangen, het opheffen van een elektrische laadvoorziening, ontoegankelijkheid van de stoep voor rolstoelgebruikers, verkeersonveiligheid en geluidshinder. Het college voerde aan dat de afstand tot woningen voldoende is, het legen van de containers slechts kort duurt en de inzamelwagen op de openbare weg staat.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de plaatsing van de containers geen onomkeerbare gevolgen zal hebben en dat het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening ontbreekt. De containers kunnen immers eenvoudig worden verwijderd en de oude situatie hersteld indien de bodemprocedure daartoe aanleiding geeft.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de plaatsing van de ondergrondse restafvalcontainers wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202601421/2/R1.
Datum uitspraak: 7 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend in Den Haag,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2026 (het aanwijzingsbesluit) heeft het college het Definitief plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers Bezuidenhout-Oost (buurt 66) Haagse Hout, Den Haag vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie 66-30A ter hoogte van de Willem van Outhoornstraat 87, 89 en 91 aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s).
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op een zitting op 23 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door A.M. Buijs en M.E. Wassenaar, is verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2.       In het aanwijzingsbesluit heeft het college onder meer locatie 66-30A, ter hoogte van de Willem van Outhoornstraat 87, 89 en 91 aangewezen voor de plaatsing van twee ORAC’s. [verzoekster] woont aan de Willem van [locatie A] en is het niet eens met aanwijzing van die locatie omdat zij vreest voor overlast. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 24 maart 2026 wordt geschorst voor zover het gaat om locatie 66-30A (de locatie), totdat er een uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Het college heeft op de zitting aangegeven dat bij afwijzing van het verzoek de ORAC’s in september 2026 zullen worden geplaatst.
Inhoud verzoek
3.       [verzoekster] voert meerdere redenen aan waarom zij de locatie ongeschikt acht voor de plaatsen van twee ORAC’s. Zij voert onder andere aan dat bij het legen van ORAC’s door een afvalwagen, de nooduitgang en de toegangsweg van de woningen aan de Willem van Outhoornstraat 91 zullen worden geblokkeerd en dat een bestaande elektrische laadvoorziening moet worden opgeheven. Verder voert zij aan dat door de plaatsing van de ORAC’s op de bewuste locatie, de stoep niet meer toegankelijk zal zijn voor rolstoelgebruikers. Tevens stelt zij dat de plaatsing van de ORAC’s zal leiden tot verkeersonveiligheid, waarbij zij erop wijst dat het stilstaan van de inzamelwagen bij het legen van de ORAC’s in strijd is met regels uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en dat de plaatsing van de ORAC’s leidt tot onaanvaardbare hinder, gelet op de afstand tussen de ORAC’s en de gevels (met ramen) van de woningen, zoals geluidhinder en hinder als gevolg van bijplaatsen van afval.
Verweer van het college
4.       Het college heeft naar voren gebracht dat de afstand van de locatie waar de ORAC worden geplaatst tot de gevel van de meest nabijgelegen woning ruimschoots voldoende is voor rolstoelgebruikers. Het legen van de ORAC’s zelf duurt slechts enkele minuten, waarbij de inzamelwagen op de openbare weg staat en dus op ruime afstand van een nooduitgang of toegangsweg. Voor zover de toegangsweg gedurende het legen niet gebruikt kan worden, wat daar ook van zij, is dat slechts van zeer korte duur.
Spoedeisend belang
5.       [verzoekster] beoogt met haar verzoek te voorkomen dat de twee ORAC’s op de aangewezen locatie worden geplaatst. De voorzieningenrechter acht het - anders dan in bijvoorbeeld de uitspraken van 17 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3151, r.o. 3 en 6 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:697 - niet aannemelijk dat de plaatsing van de afvalcontainers als zodanig onomkeerbare gevolgen zal hebben. De containers kunnen bovendien op relatief eenvoudige wijze weer worden verwijderd, waarbij de oude toestand kan worden hersteld, als de uitspraak in de bodemprocedure daartoe aanleiding geeft. Immers, niet is gebleken van omstandigheden - zoals bijvoorbeeld de nabijheid van een boom die door de plaatsing kan worden beschadigd - waardoor de plaatsingswerkzaamheden onomkeerbare gevolgen kunnen hebben. Ook is niet aannemelijk dat het gebruik van de ORAC’s tot het moment waarop uitspraak in de bodemzaak wordt gedaan, tot onomkeerbare effecten leidt. Reden waarom de voorzieningenrechter van oordeel is dat spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval ontbreekt.
6.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026
817-1099