ECLI:NL:RVS:2026:3901
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenvergoeding in bewaringstelling vreemdeling
Appellant werd op 2 maart 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten aan appellant tot een bedrag van € 934,00. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de rechtbank ten onrechte slechts één punt had toegekend voor het indienen van het beroepschrift, terwijl ook een zitting had plaatsgevonden waarbij de gemachtigde van appellant aanwezig was. Beide proceshandelingen komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking voor vergoeding.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en stelde vast dat de minister een bedrag van € 1.868,00 aan proceskosten moet vergoeden. Daarnaast veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, waarbij een wegingsfactor werd toegepast vanwege de eenvoudige aard van het hoger beroep.
De totale proceskostenvergoeding aan appellant bedraagt € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt vast dat de minister een hogere proceskostenvergoeding aan appellant moet betalen.