ECLI:NL:RVS:2026:3902

Raad van State

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002964
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf

De minister van Asiel en Migratie wees op 10 oktober 2024 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 24 juli 2025 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 20 mei 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en dat de belangen van beide partijen in aanmerking genomen, een voorlopige voorziening passend is.

De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 7 juli 2026 door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.002964
Datum uitspraak: 7 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 mei 2026 in zaak nr. NL25.39177 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026
392