ECLI:NL:RVS:2026:3902
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De minister van Asiel en Migratie wees op 10 oktober 2024 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 24 juli 2025 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 20 mei 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en dat de belangen van beide partijen in aanmerking genomen, een voorlopige voorziening passend is.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 7 juli 2026 door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.