ECLI:NL:RVS:2026:3908
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over verblijf en vertrekopdracht gemeenschapsonderdaan naar Polen
Appellant, een gemeenschapsonderdaan, kreeg bij besluit van 25 april 2024 te horen dat hij geen verblijfsrecht meer had in Nederland en werd opgedragen het land binnen een maand te verlaten. Bij besluit van 11 september 2024 werd dit bevestigd en werd appellant opgedragen zich naar Polen te begeven. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de minister niet had veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, omdat de minister bevoegd was geworden vanaf 2 juli 2024. Tevens werd geoordeeld dat het besluit van 11 september 2024 een gebrek vertoonde doordat partijen het eens waren dat de opdracht om zich naar Polen te begeven onjuist was. Daarom werd dit deel van het besluit vernietigd.
De overige grieven van appellant werden niet gegrond verklaard. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 11 september 2024 voor zover het de vertrekopdracht naar Polen betrof. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.802,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het besluit van 11 september 2024 wordt vernietigd voor zover appellant werd opgedragen zich naar Polen te begeven en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.