ECLI:NL:RVS:2026:3930
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige Dublinbewaring zonder refoulementbeoordeling
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 2 mei 2026 in bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, de zogenaamde Dublinbewaring. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 21 mei 2026 de bewaring onrechtmatig verklaarde omdat de minister geen refoulementbeoordeling had gemaakt. Tevens kende de rechtbank schadevergoeding toe.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de minister in een Dublinbewaring geen refoulementbeoordeling hoeft te maken zolang er nog geen overdrachtsbesluit is genomen. In deze zaak was het eerdere overdrachtsbesluit voor Kroatië niet meer van toepassing omdat betrokkene al was overgedragen en teruggekeerd. De minister moet daarom een nieuw overdrachtsbesluit nemen.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en beoordeelde het beroep inhoudelijk. Betrokkene voerde aan dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd voor de vertrekdatum met onbekende bestemming, maar de minister overlegde een screenshot dat dit bevestigde. De Afdeling verwierp dit verweer en oordeelde dat de bewaring rechtmatig was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De bewaring van betrokkene is rechtmatig verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.