ECLI:NL:RVS:2026:3939

Raad van State

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
202501731/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.1 planregels Buitengebied Oss 2020Art. 1.7 planregels Buitengebied Oss 2020Art. 1.57 planregels Buitengebied Oss 2020Art. 3.1.2 planregels Buitengebied Oss 2020Art. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor restauratie en bewoning historische boerderij in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Oss weigerde op 10 januari 2024 de omgevingsvergunning voor het restaureren en renoveren van een historische boerderij ten behoeve van wonen op een locatie in Herpen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak.

De Afdeling oordeelt dat de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan 'Buitengebied Oss 2020'. Artikel 3.1.1, onder a, van de planregels bepaalt dat gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, inclusief hobbymatig agrarisch grondgebruik. De Afdeling stelt dat de zinsnede 'daaronder begrepen' onvoldoende duidelijkheid biedt om hobbymatig agrarisch grondgebruik zonder agrarisch bedrijf toe te staan.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hobbymatig agrarisch grondgebruik alleen is toegestaan naast de uitoefening van een agrarisch bedrijf. De aangevraagde bewoning in een bedrijfswoning ten behoeve van hobbymatig agrarisch grondgebruik is daarom strijdig met het bestemmingsplan. Omdat de vergunning niet op grond van een binnenplanse afwijking of het Besluit omgevingsrecht kon worden verleend, was weigering op grond van artikel 2.12 Wabo terecht.

Verzoeken om schadevergoeding wegens de weigering en wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen. De totale procedure heeft niet langer dan vier jaar geduurd, de maximale redelijke termijn voor twee instanties. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.

Uitspraak

202501731/1/R2.
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Herpen, gemeente Oss,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 6 februari 2025 in zaak nr. 23/3233 en 24/1114 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oss.
Openbare zitting gehouden op 6 juli 2026 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. J.J. Pistoor
jurist: mr. C. van Rooy
Verschenen:
[appellante], bijgestaan door mr. E.T.E. Kemperman;
Het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat in Nijmegen.
Bij besluit van 10 januari 2024 heeft het college de aanvraag van [appellante] voor een omgevingsvergunning voor het restaureren en renoveren van een historische boerderij ten behoeve van wonen op de [locatie] in Herpen, geweigerd.
Bij uitspraak van 6 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.
De Afdeling:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af;
III.      wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Redenen voor dit oordeel:
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2.       De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Oss 2020". In artikel 3.1.1, onder a, van de planregels staat dat de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, daaronder begrepen hobbymatig agrarisch grondgebruik. Anders dan [appellante] onder verwijzing naar de letterlijke uitleg van de planregel betoogt, acht de Afdeling de zinsnede "daaronder begrepen" onvoldoende duidelijk om te kunnen beoordelen of daarmee ook uitsluitend hobbymatig agrarisch grondgebruik is toegestaan zonder de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Daartoe acht de Afdeling relevant dat deze twee activiteiten samen onder a zijn gezet in plaats van twee losstaande activiteiten in twee aparte leden.
2.1.    Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat uit de planregels in onderlinge samenhang gelezen volgt dat hobbymatig agrarisch grondgebruik uitsluitend is toegestaan naast de uitoefening van het agrarische bedrijf. De Afdeling acht daarbij de artikelen 1.7, 1.57 en 3.1.2 in samenhang gelezen met artikel 3.1.1, onder a, van de planregels van belang. In wat [appellante] aanvoert ziet de Afdeling geen reden om anders te oordelen.
Gelet hierop is de aangevraagde activiteit, wonen in een bedrijfswoning ten behoeve van hobbymatig agrarisch grondgebruik, in strijd met het bestemmingsplan. Of de huisvesting van [appellante] gelet op de bestemming noodzakelijk is, hoeft daarom geen bespreking.
3.       Niet in geschil is dat de vergunning niet met een binnenplanse afwijking of op grond van het Besluit omgevingsrecht kon worden verleend. Gelet hierop en omdat de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo kon worden geweigerd. Uit artikel 3.10 van de Wabo volgt dan dat de uitgebreide procedure van toepassing is. Dit betekent dat er geen vergunning van rechtswege is ontstaan.
3.1.    Gelet hierop is de beslistermijn niet overschreden en zijn er geen dwangsommen verbeurd.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Uit de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Alleen al daarom zal het verzoek worden afgewezen.
5.       Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De totale redelijke termijn voor een zaak met twee rechterlijke instanties is vier jaar. Het beroepschrift is op 5 december 2023 ingediend. De totale procedure heeft daarmee niet langer dan vier jaar geduurd.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pistoor
griffier
932-1191