ECLI:NL:RVS:2026:3940

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
202505262/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf meerderjarige dochter

Bij besluit van 11 oktober 2023 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de referent af om zijn meerderjarige dochter een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 5 december 2024 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 22 september 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hogerberoepschrift beoordeeld en geoordeeld dat de grieven niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen, omdat het hoger beroep geen nieuwe vragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming bevat.

De Afdeling bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 juli 2026.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202505262/1/V1.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 september 2025 in zaak nr. NL24.49938 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van referent om zijn meerderjarige dochter een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 december 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Voor zover het hogerberoepschrift grieven bevat die voldoen aan de eisen van artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000, leiden deze niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 7 tot en met 11 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
91-1151