ECLI:NL:RVS:2026:3940
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf meerderjarige dochter
Bij besluit van 11 oktober 2023 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de referent af om zijn meerderjarige dochter een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 5 december 2024 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 22 september 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hogerberoepschrift beoordeeld en geoordeeld dat de grieven niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen, omdat het hoger beroep geen nieuwe vragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming bevat.
De Afdeling bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 juli 2026.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf en verklaart het hoger beroep ongegrond.