ECLI:NL:RVS:2026:3964
Raad van State
- Hoger beroep
- W. den Ouden
- A.B. Blomberg
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake afwijzing vergoeding bijkomende kosten mijnbouwschade woning Zuidbroek
Appellant is sinds 2016 eigenaar van een woning in Zuidbroek en exploiteert een elektrotechnisch installatiebedrijf. Tijdens renovatie werd mijnbouwschade aan de woning ontdekt, waarop appellant een vergoeding voor fysieke schade en bijkomende kosten aanvroeg. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende een vergoeding toe voor fysieke schade en een deel van de bijkomende kosten, maar wees de vergoeding af voor tijd besteed aan de procedure, misgelopen inkomsten en overige kosten.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de tijd besteed aan de procedure tot vermogensschade leidde, dat er geen causaal verband was tussen misgelopen opdrachten en de schadeafhandeling, en dat de overige kosten niet waren onderbouwd. Appellant stelde in hoger beroep dat de gemaakte uren en misgelopen inkomsten wel degelijk vergoed moesten worden, onder verwijzing naar offertes en verklaringen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Afdeling benadrukt dat vergoeding van bijkomende kosten moet voldoen aan de criteria van het Burgerlijk Wetboek, waarbij appellant de vermogensschade en het oorzakelijk verband moet aantonen. De overgelegde stukken en verklaringen boden onvoldoende bewijs dat de bestede tijd en misgelopen omzet het gevolg waren van de fysieke mijnbouwschade. Ook de overige kosten werden niet voldoende onderbouwd.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van vergoeding van bijkomende kosten bevestigd.