ECLI:NL:RVS:2026:3998
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bewaring door minister
Verzoeker is op 15 april 2026 door de minister in bewaring gesteld. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 2 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Raad van State overwoog dat de Afdeling op dezelfde dag uitspraak deed op het hoger beroep van verzoeker, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening niet meer nodig was. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de minister niet verplicht proceskosten te vergoeden.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.M. Willems in aanwezigheid van griffier W.M. Vos op 9 juli 2026. Hiermee blijft de bewaring van verzoeker gehandhaafd en wordt het verzoek om voorlopige voorziening definitief afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bewaring wordt afgewezen.