ECLI:NL:RVS:2026:4007
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep wegens appelverbod in bestuursrechtelijke verzetprocedure
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2025, waarin zijn verzet tegen een eerdere uitspraak ongegrond werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep mogelijk is vanwege het appelverbod zoals neergelegd in artikel 8:104, tweede lid, Awb.
Appellant voerde aan dat fundamentele procesrechten waren geschonden, waaronder het niet ontvangen van een uitnodiging voor de zitting, geen toegang tot het procesdossier en vermeende partijdigheid van de rechter. De Afdeling concludeerde echter dat de rechtbank conform de wettelijke voorschriften had gehandeld door de uitnodiging per aangetekende en reguliere post te versturen en het dossier aan de gemachtigde te verstrekken.
De vermeende partijdigheid werd niet aannemelijk geacht, aangezien de nevenfunctie van de rechter onvoldoende aanleiding gaf voor de schijn van vooringenomenheid. Klachten over de klachtbehandeling konden niet bij de Afdeling worden ingebracht.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees het verzoek om proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht af. Het college van bestuur hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens het appelverbod.