ECLI:NL:RVS:2026:4019
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, stelde het niet tijdig nemen van het besluit gelijk aan een besluit, vernietigde dit en legde de minister een dwangsom en een proceskostenvergoeding van € 233,50 op.
Appellanten gingen in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) had toegepast in plaats van 0,5 (licht). Hierdoor werd de proceskostenvergoeding te laag vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis dat de minister veroordeelde tot € 233,50 en veroordeelde de minister tot een hogere proceskostenvergoeding van in totaal € 934,00, verdeeld over beroep en hoger beroep. De zaak werd als licht aangemerkt, en de griffierechten hoefden niet te worden vergoed omdat deze niet waren geheven.
De Afdeling bevestigde dat het hoger beroep geen vragen opriep over Unierechtelijke bepalingen en sprak het vonnis uit in het openbaar op 13 juli 2026.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de minister tot een hogere vergoeding van € 934,00.