ECLI:NL:RVS:2026:4020

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002439
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsdocument EU/EER

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 november 2024 een aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 21 augustus 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 16 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde.

Tegen deze uitspraak stelde verzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake was van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Uit de overwegingen blijkt dat dit niet het geval was.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A. Kuijer op 13 juli 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsdocumentaanvraag wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

BRS.26.002439
Datum uitspraak: 13 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.44505 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Kuijer
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026
918