ECLI:NL:RVS:2026:4025
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 30 januari 2026 is afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 10 juni 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure niet geschikt is. Daarom wordt besloten om verzoeker te beschermen tegen uitzetting totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
De uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door voorzieningenrechter J.M. Willems, in aanwezigheid van griffier C.C.J. de Wilde. De voorlopige voorziening beoogt de rechtspositie van verzoeker te waarborgen gedurende de procedure bij de Raad van State.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.