ECLI:NL:RVS:2026:4034

Raad van State

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003058
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring op grond van Dublinverordening zonder refoulementtoets

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 29 mei 2026 in bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, de zogenaamde Dublinbewaring. Appellant stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het schadeverzoek af.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat de minister bij het opleggen van de bewaring een refoulementbeoordeling had moeten maken. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van dezelfde datum waarin is geoordeeld dat een dergelijke beoordeling niet vereist is zolang er nog geen overdrachtsbesluit is genomen.

De Afdeling ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen. Ook ambtshalve ziet de Afdeling geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en bewaring bevestigd zonder refoulementtoets.

Uitspraak

BRS.26.003058
Datum uitspraak: 14 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 juni 2026 in zaak nr. NL26.30273 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De minister heeft betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000 (Dublinbewaring). Appellant komt in zijn enige grief tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister in een maatregel op deze grondslag geen refoulementbeoordeling hoeft te maken.
1.1.        De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387, namelijk geoordeeld dat dat in ieder geval niet hoeft als de minister nog geen overdrachtsbesluit heeft genomen op het moment dat hij de maatregel oplegt. Dat is ook in deze zaak het geval.
1.2.        De Afdeling heeft in haar genoemde uitspraak van 12 juni 2026, onder 1.4, uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om in een geval als dat van appellant prejudiciële vragen te stellen.
1.3.        De grief slaagt niet.
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026
1020