ECLI:NL:RVS:2026:4036
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen nieuw besluit DNB inzake openbaarmaking toezichtvertrouwelijke informatie
De Nederlandsche Bank (DNB) had op 17 juni 2024 een verzoek van Human Rights in Finance EU (HRIF) om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk toegewezen. Na bezwaar van HRIF herzag DNB dit besluit gedeeltelijk op 15 januari 2025. De rechtbank Amsterdam verklaarde bij uitspraak van 5 juni 2026 het beroep van HRIF gegrond, vernietigde het besluit van 15 januari 2025 en beval DNB binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
DNB stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht op 19 juni 2026 de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. DNB betoogde dat de documenten toezichtvertrouwelijk zijn en niet onder de Woo vallen, waardoor uitvoering van het vonnis van de rechtbank onmogelijk is. Tevens wees DNB op onomkeerbare gevolgen van (gedeeltelijke) openbaarmaking.
De voorzieningenrechter besloot zonder zitting dat DNB geen nieuw besluit hoeft te nemen totdat de voorlopige voorziening is opgeheven of gewijzigd. Tevens werd een zitting in augustus gepland om te beoordelen of de voorziening gehandhaafd blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State schorst het vonnis van de rechtbank en bepaalt dat DNB geen nieuw besluit hoeft te nemen totdat de voorlopige voorziening wordt opgeheven of gewijzigd.