ECLI:NL:RVS:2026:4045

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
BRS.25.000944
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing wijziging verblijfsvergunning moeder en kinderen

De moeder en haar minderjarige kinderen hadden bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een aanvraag tot wijziging van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarna de minister hoger beroep instelde.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar heeft getoetst aan feiten die zich na het besluit op bezwaar hebben voorgedaan. De minister had moeten toetsen aan de feiten ten tijde van het besluit op bezwaar, waarbij de vermeende inmenging in het familie- en gezinsleven nog niet aan de orde was.

Daarnaast klaagt de moeder over de belangenafweging door de minister, maar de Afdeling stelt vast dat de minister de individuele omstandigheden van betrokkenen heeft meegewogen en niet uitsluitend het economisch belang van Nederland heeft laten prevaleren.

De Afdeling verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, het incidenteel hoger beroep van betrokkenen ongegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de moeder en haar kinderen ongegrond.

Uitspraak

BRS.25.000944
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.        de minister van Asiel en Migratie,
2.[betrokkene 1] (de moeder), mede voor haar minderjarige kinderen, en [betrokkene,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2025 in zaak nr. NL24.43863 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de moeder om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.
Bij besluit van 30 oktober 2024 (het besluit op bezwaar) heeft de minister het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. M.F. Kiers, advocaat in Deventer, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Hoger beroep minister
1.        De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij had moeten beoordelen of een inmenging in het familie- en gezinsleven van de moeder en haar jongste kinderen met de oudste dochter van de moeder in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3048, onder 3.14, volgt dat de minister terecht aanvoert dat de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar had moeten toetsen aan de hand van de feiten ten tijde van dat besluit, namelijk 30 oktober 2024. Onder die feiten viel niet de door de rechtbank aangehaalde inmenging in het familie- en gezinsleven, want die inmenging heeft zich pas kunnen voordoen nadat de minister de oudste dochter van de moeder in het besluit van 28 april 2025 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verleend met een geldigheidsduur vanaf de datum van de door haar ingediende aanvraag, namelijk 5 februari 2025.
1.1.        De grief van de minister slaagt.
Incidenteel hoger beroep betrokkenen
2.        Betrokkenen klagen in hun enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister de afweging tussen het belang van betrokkenen bij voortzetting van hun privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid niet ten onrechte in het nadeel van betrokkenen heeft laten uitvallen.
2.1.        Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, moet de minister bij de waardering van het economisch belang van Nederland rekening houden met de individuele omstandigheden van betrokkenen. Die individuele omstandigheden geven informatie over de mate waarin betrokkenen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien en een beroep zullen doen op door de overheid betaalde voorzieningen als de minister hun aanvraag zou inwilligen (uitspraak van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, onder 8, en eerdergenoemde uitspraak van 27 mei 2026, onder 3.9).
2.2.        Betrokkenen dragen terecht het betoog voor dat uit de besluitvorming van de minister niet volgt of hij, gelet op individuele omstandigheden die in hun voordeel wegen, daadwerkelijk minder gewicht heeft toegekend aan het economisch belang van Nederland. De grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister ter motivering van de uitkomst van de belangenafweging niet alleen heeft gewezen op het economisch belang van Nederland, maar ook op de duur van het verblijf van betrokkenen in Kameroen en Nederland en de banden die zij met die landen hebben. Daaruit volgt dat de minister, anders dan betrokkenen aanvoeren, voor de uitkomst van de belangenafweging niet alleen of automatisch doorslaggevend heeft geacht dat een inwilliging van de aanvraag zal leiden tot een beroep van betrokkenen op door de overheid betaalde voorzieningen.
2.3.        Het incidenteel hoger beroep van betrokkenen leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
3.        Het hoger beroep van de minister is gegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkenen is ongegrond. Het hogerberoepschrift en het incidenteel hogerberoepschrift roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
II.        verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkenen ongegrond;
III.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2025 in zaak nr. NL24.43863;
IV.        verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
958