ECLI:NL:RVS:2026:4051
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering uitstel van vertrek ambtshalve door minister van Asiel en Migratie
Appellant heeft bij besluit van 8 mei 2025 van de minister van Asiel en Migratie ambtshalve uitstel van vertrek geweigerd gekregen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 12 februari 2026 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Ook zijn er geen vragen over Unierechtelijke bepalingen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer op 15 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.