ECLI:NL:RVS:2026:4066
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing faciliterend visum in hoger beroep bestuursrecht
Appellant heeft bij besluit van 29 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum, welke door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd op 25 juni 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 6 februari 2026 het beroep van appellant eveneens ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot een andere beoordeling dan die van de rechtbank. Tevens is het beroep niet ontvankelijk om redenen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank over en bevestigt het oordeel dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer op 15 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt bevestigd.