ECLI:NL:RVS:2026:4066

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.001112
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 20 VWEUArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing faciliterend visum in hoger beroep bestuursrecht

Appellant heeft bij besluit van 29 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum, welke door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd op 25 juni 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 6 februari 2026 het beroep van appellant eveneens ongegrond.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot een andere beoordeling dan die van de rechtbank. Tevens is het beroep niet ontvankelijk om redenen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.

De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank over en bevestigt het oordeel dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer op 15 juli 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.001112
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 februari 2026 in zaak nr. 24/11407 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2024 heeft de minister een aanvraag om appellant een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 juni 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht om aannemelijk te maken dat zich in haar geval een situatie voordoet als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2018, K.A., ECLI:EU:C:2018:308. Wat appellant aanvoert over artikel 20 van Pro het VWEU, kan daarom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
2.        Wat appellant verder aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 9 tot en met 13 van de uitspraak van de rechtbank over.
2.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Daarnaast heeft de rechtbank onder 9 tot en met 13 van haar uitspraak al gemotiveerd waarom beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het personele bereik van de Verblijfsrichtlijn niet nodig is voor de oplossing van deze zaak (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 33).
3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
853-1143