ECLI:NL:RVS:2026:4076
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vertrekbevel Europese Unie
Appellant werd bij besluit van 17 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant diende het hoger beroep in op 9 juni 2026, maar verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. De Afdeling oordeelde dat de Nederlandse wet (Vreemdelingenwet 2000) deze mogelijkheid niet biedt en dat de termijn voor het indienen van gronden was verstreken op 12 juni 2026. Omdat appellant niet tijdig heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. H.G. Sevenster op 16 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van gronden.