ECLI:NL:RVS:2026:4076

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002818
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vertrekbevel Europese Unie

Appellant werd bij besluit van 17 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Appellant diende het hoger beroep in op 9 juni 2026, maar verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. De Afdeling oordeelde dat de Nederlandse wet (Vreemdelingenwet 2000) deze mogelijkheid niet biedt en dat de termijn voor het indienen van gronden was verstreken op 12 juni 2026. Omdat appellant niet tijdig heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven.

Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. H.G. Sevenster op 16 juli 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van gronden.

Uitspraak

BRS.26.002818
Datum uitspraak: 16 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 mei 2026 in zaak nr. NL24.8558 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 15 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        U heeft bij brief van 9 juni 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Die mogelijkheid biedt de Nederlandse wet (de Vw 2000) niet. De hogerberoepstermijn liep tot en met 12 juni 2026. Omdat u vóór die datum niet heeft uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000).
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026
644-1204