ECLI:NL:RVS:2026:408
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen
De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees op 17 januari 2024 de aanvraag van appellant om een uitkering uit het schadefonds af. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 31 mei 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond op 17 december 2024.
Appellant stelde onvoldoende objectieve aanwijzingen te hebben geleverd waaruit blijkt dat zij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De Raad van State bevestigt deze beoordeling en benadrukt dat zonder aangifte of strafrechtelijk onderzoek de aanvrager met voldoende objectieve aanwijzingen moet komen om het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken.
De opmerking van de CSG dat zij appellant niet per se niet gelooft, betekent niet dat het geweldsmisdrijf is erkend. Een eigen verklaring van het slachtoffer is onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. De Raad van State oordeelt dat de uitspraak van de rechtbank terecht is en vernietigt deze niet. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds wordt bevestigd.