ECLI:NL:RVS:2026:4081
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot behandeling hoger beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling
Appellant is bij besluit van 23 februari 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 4 mei 2026 het beroep van appellant tegen het voortduren van deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat het hoger beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet openstaat, zoals bepaald in artikel 84, aanhef en onder a, van die wet. Het enkele feit dat appellant bezwaar maakt tegen het voortduren van de bewaring is geen reden om het verbod op hoger beroep te doorbreken, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, wat hier niet is gebleken.
Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Tevens wordt geoordeeld dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juli 2026.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring te behandelen.