ECLI:NL:RVS:2026:4081

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002340
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot behandeling hoger beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling

Appellant is bij besluit van 23 februari 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 4 mei 2026 het beroep van appellant tegen het voortduren van deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overweegt dat het hoger beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet openstaat, zoals bepaald in artikel 84, aanhef en onder a, van die wet. Het enkele feit dat appellant bezwaar maakt tegen het voortduren van de bewaring is geen reden om het verbod op hoger beroep te doorbreken, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, wat hier niet is gebleken.

Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Tevens wordt geoordeeld dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juli 2026.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring te behandelen.

Uitspraak

BRS.26.002340
Datum uitspraak: 16 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2026 in zaak nr. NL26.21833 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 mei 2026 heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de bewaring door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
1.1.        Wat appellant aanvoert, is geen reden om het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank op het vervolgberoep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
2.        De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026
922-1204