ECLI:NL:RVS:2026:409

Raad van State

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
202502624/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven na huiselijk geweld

Appellante heeft een aanvraag ingediend bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering wegens huiselijk geweld dat zij tussen 2011 en 2018 heeft ondervonden. De CSG kende haar bij besluit van 11 april 2024 een uitkering toe van €2.500, gebaseerd op letselcategorie 2 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 november 2022.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 3 juni 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak.

De Afdeling oordeelt dat de CSG terecht niet de gehele periode van 2011 tot en met 2018 als aaneengesloten heeft beschouwd, omdat deze periode na 11 april 2014 is doorbroken. Daarnaast kon de CSG niet vaststellen dat de mishandelingen in 2016 tot fysiek letsel hebben geleid en was het psychische letsel van appellante het gevolg van meerdere oorzaken, waardoor niet kon worden vastgesteld in welke mate de klachten door de mishandelingen waren veroorzaakt.

Gelet op deze omstandigheden was het voor de CSG niet nodig een hogere letselcategorie toe te kennen dan categorie 2. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitkering van €2.500 op basis van letselcategorie 2 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

202502624/1/A2.
Datum uitspraak: 13 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2025 in zaak nr. 24/6553 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Openbare zitting gehouden op 13 januari 2026 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
griffier: mr. H.A. Komduur
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat in Rotterdam;
De CSG, vertegenwoordigd door mr. A.R. Link-van Spronsen.
Bij besluit van 11 april 2024 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering van € 2.500,00 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (schadefonds) toegekend. Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 25 maart 2025 van de rechtbank Den Haag, waarbij de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 3 juni 2024 ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
[appellante] heeft een aanvraag bij de CSG ingediend om een uitkering uit het schadefonds. In de aanvraag heeft zij vermeld dat zij tussen 2011 en 2018 slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. De CSG heeft bij het besluit van 11 april 2024 aan [appellante] een uitkering uit het schadefonds toegekend van € 2.500,00, gebaseerd op letselcategorie 2 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 november 2022. De Afdeling is van oordeel dat de CSG terecht niet de aaneengesloten periode van 2011 tot en met 2018 bij de beoordeling in aanmerking heeft genomen, omdat die periode na 11 april 2014 is doorbroken. Voor de twee mishandelingen waarvan [appellante] in 2016 het slachtoffer is geworden heeft de CSG beoordeeld of deze tot fysiek letsel hebben geleid, maar dit heeft zij niet kunnen vaststellen. Doordat het psychische letsel van [appellante] verscheidene oorzaken heeft, waaronder gebeurtenissen in haar gezin van herkomst en de mishandelingen van 21 september 2016 en 27 oktober 2016, kon de CSG ook niet beoordelen in welke mate de psychische klachten waarvoor [appellante] is behandeld zijn veroorzaakt door deze mishandelingen. Gelet op het voorgaande heeft de CSG geen uitkering overeenkomstig een hogere lestelcategorie dan letselcategorie 2 hoeven toekennen.
De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
809